E voto Dordraceno - pagina 23
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XVIII. HOOFDSTUK
En waar
kind komt.
zoo
eindig schepsel op die wijs plaatselijk gebonden kan zijn, en
het
reeds
uw
dat het in de hand van
maken
brengen, en
23
III.
toch op verre afstand iverken, wat zult ge dan twijfel en bedenking opperen,
van Hem, die geen metalen draad of magnetische kracht
als er sprake is
van noode
beschikt over goddelijke almogendheid.
maar
heeft,
Dit gaat zoover, dat, ware er van niets anders sprake dan van iverkin-
gen
op ons uitoefent,
Christus
die
de vraag zou kunnen rijzen, of
zelfs
metter-
wellicht de menschelijke natuur in haar verheerlijkten staat niet
daad over ons nog onbekende krachten beschikt, en of de Middelaar
van
afgezien
ook
doen
Maar ons
op
het
is
uitoefent
wereld," woorden
twee of drie in
we het antwoord natuurlijk schuldig
niet.
Er
gaven
en
die
hij
„Ik ben met u die
zijn
men naam
van werkingen
niet alleen sprake
is
al
ons
zamen
ons
voor
neen,
uitgaan,
noch
bidt,
maar dat
zijn
de dagen tot aan de voleinding der
verzwakt door ze figuurlijk op te
die Christus
maar ook van
toezendt,
zijn,
daar
is
in
hij
ook daarop dat hij hij ons
is,
Waar
te vatten.
hun midden.
die tegenwoordigheid komt het dus aan. Niet daarop dat
denkt en laat
niet,
werkingen naar ons kon
zijn
blijven.
zoo
tegenwoordigheid.
Op
goddelijke
zijn
Een vraag waarop
uitgaan.
moesten
natuur,
aan ons
hij
werkingen naar ons
hij
en zijn tegenwoordigheid
bekend wordt.
En
het
lijk
alomtegenwoordig
dit nu, dit
perk van het menschelijke.
goddelijk merk.
Wel
als
hij
is
en volstrekte-
zijn, dit overschrijdt geheel
Zulke alomtegenwoordigheid
Hoofd, zoo ge
wilt, steeds
waar
en bestaat reeds hierin een organische tegenwoordigheid.
is,
Middelaar ons beloofde w.
d.
z.
is
Vandaar
u" dat
maar ook
wat het organische perk geheel Gereformeerde
onze
is
kerken
„ik hen in
te
een
lichaam
Maar wat de
meer. Niet slechts het ik in u en gij in
de organische tegenwoordigheid,
„ik hen met
zijn
uw
mij'''
midden,"
boven gaat.
naast
deze
organische
of
immanente tegenwoordigheid, steeds standvastig de transcendente tegenwoordigheid van den Christus hebben beleden door zijn Majesteit, zijn Genade
en
zijn
En
als
Geest.
men nu
tegenwerpt, dat dan toch dit goddelijke en menschelijke
in
den Middelaar uiteen worden gerukt, antwoordt de Catechismus helder
en
kort, door te wijzen
op de miskenning juist van de goddelijke alomte-
genwoordigheid die in zulk een tegenwerping schuilt.
Uiteenrukken van de goddelijke en menschelijke natuur onderstelt toch, dat
de
menschelijke
kunnen stellen, en dat
maar
natuur
men
een
perk
of grens aan de goddelijke zou
zou kunnen zeggen
niet de goddelijke natuur.
:
Hier
is
wel de menschelijke,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's