E voto Dordraceno - pagina 386
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
386
XXIV. HOOFDSTUK
ZOND.
Ware nu
leven.
zou
zoo
overeenkomstig dat
de straf voor zijn zonde alleen de tijdelijke dood geweest,
hem
deze acte van gratie
Maar
brengen.
V.
zoo
is
is
zijn
van
alleen verlenging
nu ook ontvangt het eeuwige
gratie die hij
terdege allereerst als tegenstelling met het
wel
tijdelijk leven
het niet. Zijn straf was de eeuwige dood, en dien-
genomen worden. Van den
Ook een
verloste
in
hem
het
sterven
van
een
kind
Gods:
„dat
dood toch wordt
tijdelijken
niet ontheven.
hij
Christus sterft vroeg of laat. Zelfs kan zijn geloof
den martelaarsdood ten plicht ik
stellen. Belijdt
hoofdzaak op dat leven, waarvan
dit in
de genieting in volheid eerst na dit aardsche leven aanvangt
neemt
Dit
echter
de
in
anders zou
ziel
niet
weg,
dat
„eeuwige leven" reeds hier op
dit
wortelen kan. In dien zin sprak Jezus
:
„Een
iegelijk,
mij gelooft, die heeft het eeuwige leven," niet enkel in dien zin,
die
in
dat
wie
hem
in
waarborg heeft van een eeuwig leven hier-
gelooft den
namaals, maar zoo, dat ook
in
dit
leven reeds iets vau dat eeuwige leven
voorgesmaakt. Meer dan voorsmaak echter
wordt
;
erfgenaam van heeten.
er geen
aarde
nu
God rechtvaardig en een erfgenaam des
voor
eeuwigen levens ben," dan doelt
hij
leven,
leven moet
tijdelijk
Jezus zelf op aarde
niet
zijn.
zijn
opstanding weer in
ook
op
Gelijk
aarde
en kan dit
dit niet,
heerlijkheid dierf en eerst
zijn
heerlijkheid
zijn
is
na
maar desniettemin
ingegaan,
is
een heerlijkheid in de kern bezat die gedurig uitstraalde
en dan weer onderging, zoo ook bezit Gods kind reeds hier op aarde een kern des eeuwigen levens in zich, ook in
dagelijks
staat het vast, dat hij hier
al
den dood moet, en u eerst hiernamaals
tot het volle
nog
genot
des eeuwigen levens zal doorbreken.
Waarin
dit
Het
gegeven.
eeuwige leven bestaat, heeft Jezus zelf duidelijk te kennen is
„dat
zij
IJ kennen,
den eenigen waarachtigen God, en
Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt." Geen leven dus buiten God, geen genieting waar de genieting van Gods liefde nog bovendien
maar een vreemd hebt
leven,
gezin
God
dat in het kennen van
bestaat.
Wordt ge
ingeleid en verkeert ge daar, zonder dat ge
met het hoofd en de leden van dat
gezin, zoo leeft
aan
het
leven van dat gezin te hebben,
de
er in
mee
te
leden van dat gezin leeren kennen
zijn,
wat
ge
;
het te verstaan,
leven,
moet ge
;
als in
een
om
deel
en
om
het te
moet ge het hoofd en
te
weten komen wie ze
ze
bedoelen en wat hun bestaan is; en eerst zoo ge dan neiging met hun zien en neiging conformeert, zoodat
eigen
zin
en
leven
uw
leven
leeft
om
kunnen
in een
gemeenschap
gevangenis en hebt ge aan het leven van dat gezin geen deel
kunnen genieten, om
zou komen,
bij
wierd,
ge met hen mee.
leeft
En
ge
ook
zelf
uw hun
het leven van dat gezin en
zoo nu zal het ook in het Vaderhuis daarboven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's