E voto Dordraceno - pagina 14
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XVIII. HOOFDSTUK
14
heerlijkheid ingegaan. Hij heeft
genoemd
die
II.
wordt in den hemel en op aarde.
En
onderworpen.
het lichaam waarin
Alle
thans verkeert
hij
maar
gelijkheid des zondigen vleesches,
;
we van deze wonderbare verandering
hebben
is
allen
niet
meer in
heerlijk.
Verandering greep er dus onmiskenbaar plaats
wat
naam machten zijn hem
nu ontvangen een naam boven
de vraag
nu maar,
is
denken; en het
te
is
de beantwoording dier vraag dat de kerken, die zich naar Luther
juist bij
noemen, een ander pad kiezen dan de kerken der Gereformeerden.
Immers hoort men de Lutherschen, dan weerspreken deze broederen wel de zonderlinge voorstelling van Schwenkfeld en andere geestdrijvers, alsof
hemel de goddelijke natuur
eerst onder het opvaren ten
menschelijke natuur zou doordrongen hebben,
zijn
van
de
leerden toch ook
zij.
doordringen
Ze
van
vleeschwording
uit
de
omwandeling
aarde
op
Woord
het
van de beide naturen zou geweest zijn
door
goddelijke
den Christus er zulk een
natuur
bestond,
namelijk reeds vroeg in de oude dwaling van Eutyches,
vervielen
de
alsof
menschelijke
in
maar dat
zijn.
eigenlijk
een dooreenmenging
Alleen gaven ze toe, dat gedurende
vermenging en doordringing nog niet
deze
was gekomen, en leerden diensvolgens, dat nu het wonder der Hemel-
vaart juist
bestond,
hierin
deze
dat
doordringing van de menschelijke
natuur door de goddelijke, die reeds van de heilige ontvangenis van den
maar
Christus af bestond,
die
enkel maal doorstraalde, nu,
Voor stellen
verborgen bleef, en slechts een
doet
het
tot volle
doorbreking kwam.
er dus niets toe,
waar ze
dat deze oorspronkelijke vermenging of doordringing begon, want
feit blijft hij
tijd
Hemelvaart,
onderwerp
onderhavig
het
langen
bij zijn
toch dat ook volgens hun voorstelling van den Christus, gelijk
thans
in
den
hemel
verkeert,
de goddelijke natuur metterdaad de
menschelijke doordrongen heeft.
De
Middelaar, gelijk
zij
zich dien thans in den
hemel denken,
een Christus in wien de beide naturen onderscheiden alleen
de
goddelijke
zijn gebleven,
is
niet
zoodat
natuur goddelijke en de menschelijke natuur geen
ander dan menschelijke eigenschappen
bezit,
maar integendeel
stellen ze,
dat de Middelaar, gelijk die thans in den hemel verkeert, de eigenschappen zijner
goddelijke
natuur aan
zijn
Het kwam de Luthersche kerk
menschelijke natuur heeft meegedeeld. hierbij
voornamelijk aan, op die majes-
tueuse eigenschap der goddelijke natuur, die wij in onze stamelende taal
noemen Gods heihge alomtegenwoordigheid. Het Eeuwige Wezen ten hemel,
zie,
is
door niets beperkt of gebonden. „Zoo ik opvoer
Gij zijt daar, of
bedde
ik mij in de hel, zie Gij
zij t
daar
!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's