E voto Dordraceno - pagina 269
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND.
we
bestaan
zoo
neen,
Helaas,
heid.
XLIVa. HOOFDSTUK
gaande ervaring vloekt er tegen. Dat daar leent het zich niet
niet,
Dat mogen we
niet.
oogenblik van overspannen weelde der
ziel
271
II.
in
een enkel
gekend hebben, maar de door-
wil ons hart niet, dat
kan ons hart
Gods beste kinderen merken
toe. Zelfs
wel,
de zonde niet meer in hen heerscht, dat er een ander leven in hen
dat
dat
opwaakte,
begeeren
hun
en sympathie verlegd
liefde
Maar
opleefde.
zóó,
bevinden
neen,
dan ook de Catechismus betuigt, dat
gelijk
ook
zelfs
en dat er heiliger
zijn,
zij
het in zich
niet,
„de allerheiligsten hier
op aarde nog slechts een klein beginsel van deze gehoorzaamheid in zich bevinden." (Vr. 114).
Maar van
stil
dat
ze
is
dan ook dat tiende Gebod ons zoo noodig. Tal
bijna nooit in stuitende overtreding tegenover de negen
eenmaal,
en
Gods
tiende Gebod, en
ja,
Machteloos schuldig, want hoeveel ze ook veranderen
geboden.
Gebod het sluimerend
volgt eerst in den dood. Zoo wordt juist door dit
ze voor een
des
geloofs
om
komen.
niet zelven tot een geheele afsterving der zonde
schuldgevoel weer in hen opgewekt dat
Geboden
hiervoor bezwijken ze op
dat tiende Gebod leeren ze zich schuldig kennen aan
door
kunnen, ze kunnen
Dat
om-
levende, gelijkmatige zielen, kennen bijna geen schuldgevoel,
Maar nu komt dat
staan.
al
daarom
juist
en krachtig opgewekt
;
„verterend vuur" staan.
;
ze voelen
En dan komt weer de
weer
aandrift
toevlucht tot het offer der Verzoening te nemen, en tot
hem die gezegd heeft: De reinen van harte zullen God zien. En als ze dan zelf voelen en erkennen: Dit zondig drijven komt uit
mijn
wil,
niet
en niet uit mijn bewustzijn, en niet uit mijn verleden, maar
wortelt in mijn natuur, in mijn
ik,
in het
centrum van mijn wezen, dan
daalt dit schuldgevoel tot in de schuld van heel ons geslacht
en het
af,
besef breekt door, dat de toorn Gods reeds daarom op ons rustte,
omdat
kinderen van Adam, zijner verdorven natuur deelachtig, en alzoo be-
we
hoorende tot het schuldig menschelijk geslacht
zijn.
Niets dan genade kan dan redding brengen, en alleen de Heilige Geest
kan ons troosten. Die Heilige Geest die ons helpt, de
onzalige
heils
len
in
tot
fontein
te
minderen,
ons machtiger te maken.
den einde
toe,
dan draagt
om
en het opborrelen uit de fontein des
En
blijft
het dan ook zoo nog worste-
die worsteling zelve toch steeds
de vrucht, dat het in ons als in den apostel worde wie
zal
mij
ontbonden
te
verlossen zijn
van
dit
het opborrelen uit
lichaam des doods
en met Christus
te
:
!
Ik, ellendig
meer
mensch
Ik heb begeerte
wezen. Bij hem, van zonde
om vrij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's