E voto Dordraceno - pagina 453
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XL VII.
ZOND.
God
straalt uit
God
uit
dit
donkerheid der wereld uitstralend
in de
maar opvangt,
ontwijkt
455
III.
in deze wereld in, en dat uitstralend licht is zijn heilige
Naam. Wie nu niet
HOOFDSTUK
verdonkert maar in
niet
licht,
glansen laat
zijn
uitkomen, en niet vermengt maar in zijn volle zuiverheid op zijn bewustzijn laat uitstralen, die heiligt
We
dit is niet genoeg.
op zich
zelf.
We
mensch
Naam
met
elkander, en de
zijn
deugden, raakt ons
voor zijn eigen besef.
We
geen eenlingen op aarde.
zijn
leven als
Naam
Gods
Maar
staan niet ieder
onderlinge menschelijke gemeenschap
in
Hem
Gods, dat uit
ons toestralend licht van
menschen gezamenlijk.
als
—
Is er onder de dingen
der aarde iets dat ons boeit door zijn schoonhied, dan kunnen we dat niet
maar
ons houden,
voor
dringt een prikkel in ons binnenste ons,
om
deren daarop te wijzen,
anderen daarvan mee
Naam
Wie dus
waarlijk onder
den glans van
is.
en den luister zijner deugden geboeid en bekoord
zijn licht,
an-
en het
verkeert, en door
voor anderer oor uit te roepen, hoe schoon het
den vollen indruk van Gods heiligen
om
te laten genieten,
is,
die
kan
er
niet van zwijgen, die moet het voor anderen uitspreken, en in dit uitspreken
voor anderen bestaat
Naam. Een naam daarom komt ook
—
recht.
om
eindelijk
grootmaken kennen, en
het
te
worden, en
niet slechts in ons opvangen,
wezen van den naam
eigenlijke
moet hier het
roemen van Gods
verzwegen
-prijzen bijkomen. Niet
naam
boven allen
deugden.
maar voor ons
ligt,
Naar deze
toespreken, en
lofs
van
Hem als
en het prijzen van
en de psalm des
zijt,
anderen dien
bij
Het prijzen van uw God
bidcel op de knieën
aanbidden in
ge alleen
uw God
als
zijt,
zijn
het schoon. Maar op de proef bezwijkt zich op den
zwijgt
hij
hij
bij
zijn,
bodem van
anderen
indien
hij
zijn
ge met anderen
roemen en dit^ry^ew van
zonder aanbidding., dat
onheilig en
eigen zijn
Naam
telkens.
Naam genoemd
hij
wel zijn
maar het genot der aanbidding dit
hij
God
niet kent.
Gods
geldt, dit is het
zijn
vindt
Naam. Telkens
Naam als het zoo zoet En ook zoo telkens
had.
zou bidt
ter hulpe roept in zijn nood,
En
koud en achteloos bevinden van
zijns
hij
Allerlei onheiligs ver-
hart met dien heiligen
van Gods heerlijken dien
uw
aller lippen ruischt.
drie nu, naar dit heiligen, dit
mengt
God-
en in
God, verlangt Gods kind inwendig. Hij weet dat het zoo moet, en
geweest
maar
tot zijn
Naam verheerlijken, in aanbidding en lofzang dien heerlijken Naam onzes Gods voor zijn eigen Goddelijk oor. Niet maar zelf dien Naam bij anderen dien Naam roemen, maar ook God den Heere met
Naam
delijke
om
genoemd, niet
we dien naam
terugkaatsen,
En
maar cok
samen
die tweede actie, die heet het
van Gods naam genieten, en
zelven,
dien
eerst als
ons
uit
nu
dient
deze droeve zielservaring, zijn hart,
wat hem nu
Vader in de hemelen doet nemen, en hem, vóór
waar het dien
zijn toevlucht
alle
tot
andere gebeden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's