E voto Dordraceno - pagina 574
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. Lil. HOOFDSTUK IV.
576
Wat nu
woorden
voorts de
van deze doxologie
zelf
betreft, zoo wijzen
ons eerst op het Koninkrijk, dan op de Kracht, en daarna op de
deze
Heerlijkheid des Heeren, en breiden ze deze drie uit tot in aller eeuwen
om
eeuwigheid,
Dat nu gebed
Alle
van het Koninkrijk sprake
toch
enkel
een worsteling tusschen de wenschen en verlangens
is
Wie
's
al
mijn welbehagen doen."
dat deze raad Gods van eeuwigheid
en vast
is,
nadert dus niet tot zijn God, als ware Hij een
heer,
in de
Heeren Woord." Hij weet dat God gezegd heeft:
„Mijn raad zal bestaan en Ik zal
Hij
Vader
zijn
neerknielt, weet en belijdt, dat „geen ding ooit gewisser geschiedt,
dan het hoog bevel van
ook,
niet als ongeloovige
gevaar en nood, maar als kind van God voor
in
hemelen
te rusten.
heeft zijn goede oorzaak.
is,
den bidder en den verborgen raad Gods.
van
het
Jmen
zoo eerst in het plechtige
eerst
nog
die
wat
niet weet
doen
hij
zal,
en
dies,
ligt in grillig,
En
hij
weet
het Besluit.
oppermachtig
naar den indruk van
oogenblik handelend, óf zus óf zoo kan doen, en dien
men
derhalve
zoekt te verbidden en naar zijn zin te stemmen. Neen, zijn God, tot wien
Koning, wiens de wijsheid
roept, is een eenig
hij
en die
behagen,
Maar even
God
tot
hem
en het eeuwig wel-
ding stuurt en regeert naar den raad zijns willens.
alle
stellig als
drang des gebeds
is
voor
dit
hem
hem
door zijn
vaststaat, even zeker weet hij, dat de
God
zelf in het hart is
gegeven
;
dat die
gezegd heeft: „Roep Mij aan in den dag der benauwdheid,
en Ik zal er u uit helpen;" en dat, hoe wonderbaar het schijae, en hoe
onverklaarbaar
volstrekt
God de Heere onzer niet
gebeden
opgenomen.
heeft
den mensch
uit
voor ons menschelijk inzicht ook zijn moge.
dit
raad zelf én onze gebeden én de
in zijn
al of niet
Gods kind weet dat het rechte gebed
maar door den Heiligen Geest
is,
verhooring
in
hem
gewerkt
om te dwingen, maar alleen hem toe aandrijft, zijn ziel voor den Heere mag uitgieten en zijn klachte mag klagen voor zijn troon. Vast en onwrikbaar als Gods raad eeuwiglijk staat, mag toch nooit die raad verstaan als een wordt, en dat
de
wijl
hij
Heere
diensvolgens, niet uit zucht
zelf
er
noodlot of als een fatalisme, gelijk de Islam dit
God aan
Vader
als zijn
in de hemelen, en het
maar
in het verborgen wilsbesluit, tot zijn
Toch
God
wil,
de
groote hij
en
uit kinderlijke
Gods kind
riep zijn
niet door een ingluren aandrift, dat het
gebed
opklimt.
de
strijd,
de
gestadige worsteling tusschen het
mijn wil ook onder het bidden wel gevoeld, en waar
Bidder
van
Gethsémané
het „Niet mijn wil,
den uitspaak, vrede
hem
daarom
wordt
uw dat
in
leert. is
is
gevonden,
er ook voor
eer
ook
dezen
maar uw
Gods kind
hij
de
ziel
strijd
zoo
wil geschiede," in het
kan
zelfs
klaarlijk besefte,
met
zoovele woor-
gebed geen rust en geen
ophefifen tot dat Koninklijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's