E voto Dordraceno - pagina 308
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLIV&. HOOFDSTUK IV.
310
oog op de burgerlijke gerechtigheid, wel terdege door de Wetspredi-
het
king in Gods kerk gesteund en geschraagd werd, en nog wordt.
om
of
waar
niet anders, of in kringen
Antinomiaansche geest doorwerkt, wordt de standaard van het
de
van
Doch
hoeveel
natuurlijk,
eigenlijke
bij
de Wetsprediking ook reeds voor de
vrucht
bekeerden en onbekeerden afwerpt, toch
Dat
van deze Wetsprediking hooger.
doel
geestelijk
ongemerkt naar beneden getrokken.
lieverlee en
burgerlijke gerechtigheid
is
Het kan dan ook
behandelt.
slap
zedelijk leven
toch
daar-
het onvergeeflijk, en zoo roekeloos, als de kerk deze Wetsprediking
is
nalaat
het
En
van aard, en
ligt in
ligt
eigenlijke doel
de steeds helderder ontdekking van
onzen zondigen staat, in het steeds meer dringen naar het zoenoffer van Christus, en in het ons vernieuwen naar het evenbeeld Gods.
Alvorens we echter ook deze drie stukken in ons slothoofdstuk toelichten,
moet
misverstand
een
hier
bedenking
onder
uit
den weg geruimd, en een zeer ernstige
oogen gezien. In de Heilige Schrift, zoo zegt men,
de
en met name in de brieven van den heiligen apostel Paulus, wordt toch
Wet
zoo telkens tegen de
geageerd
de verdwijning en afgeschaft
van
om
Wet
de
;
Wet
gezegd dat de
en worden de heiligen Gods zoo gedurig
kerk,
Christus'
in
Wetsprediking
nog altoos die door Paulus
Het gewicht van deze
stand te houden.
in
bedenking gevoelt ge. Metterdaad zegt Paulus, „dat geen
„zonder de
is
de werken der
Wet
zonder de Wet." Hij betuigt „dat de
Wet
ifoorw
Wet
Gods
werkt"
de zonde dood is"; dat „de bewegingen der zonde
Wet zijn"; dat „de kracht der zonde Wet niet gezet is" dat Gods heiligen
door de
uit
gerechtvtiardigd wordt", en dat „de rechtvaardigheid
vleesch
nu geopenbaard dat
verouderd, nabij
naar het Evangelie geroepen; dat het toch geen zin heeft,
desniettegenstaande,
veroordeelde
is
;
rfé^
vaardige de
;
zijn,
maar onder de genade"; dat
is";
dat
ïF'e^s"; dat „den recht^niet
er „zonder de
meer onder de Wet
Wet
geen overtreding
zonde niet toegerekend wordt dan door de Wet"; dat wij
„de
Wet (jfestorww zijn" dat „wij door de Wet ^^erfoorf zijn" en alzoo „van de Wet vrijgemaakt zijn." Hij antwoordt op de vraag: „Waartoe is dan de Wet?" m Gal. III: 19: „Zij is om der overtredinge „door de
Wet
der
;
gezet, totdat
wille daarbij
gekomen. En daarom
is
liet
zaad zou gekomen
zijn.''
Welnu, dat zaad
het nu een nieuw verbond, „en
gemaakt, oud en verouderd en nabij de verdwijning" (Hebr. VIII:
Om
nu door deze
lus niet in de
war
besliste en stellige uitspraken
te
de
keerds,
als
stellen,
want
13).
van den apostel Pau-
worden gebracht, dient gewezen op
eerste hierop, dat Paulus niet
vierderlei
kan bedoeld hebben, de Wet
:
Ten
als iets ver-
oorzaak der zonde, en ons niet meer aangaande, voor dat
tegen
is
het eerste oud
is
bovengenoemde uitspraken even
beslist
te
andere
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's