E voto Dordraceno - pagina 348
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. XIII. HOOFDSTUK
342
Deze
draagt intusschen
ketterij
bij
I.
de Modernen en
de Ethischen
bij
een gradueel zeer uiteenloopend karakter.
Beiden stemmen wel daarin overeen, dat ze van geen eeuwige generatie,
van geen Zoon Gods, die onafhankelijk van de schepping van den mensch be-
Maar
staan zou, weten willen.
Immers de Modernen onder
kinderen
de
genie,
religieus
d.
ze verschillen aanmerkelijk in de uitwerking.
menschen
der
inneemt
van een mensch,
i.
zoo wondere wijze ontwikkeld was, dat
bewust
zich
in hij
dan
met het Eeuwige Wezen. Hierdoor
is
hij
die
zuiverder en beter dan iemand in
de zalige gemeenschap
sterker en beter dan
het hewustzijn gekomen, dat we de betrekking tusschen
en
niet beter
schepsel
kunnen
En
een vader en zijn kind.
iemand
als
voorstellen
in dien zin
nu
van een zeldzaam
wien het godsdienstig besef op
geworden van en geloofd heeft
is
geen hoogere plaats
stellen het voor, alsof Jezus
God en
iemand
zijn
tot
mensch
dan door de vergelijking van belijden ze, dat hij zich beter
dan
kind van dien Vader hekend en gevoeld heeft, en dat wij door
geest op ons te laten werken, het best en het zuiverst in dat zelfde
zijn
kunnen
kindsèfse/'
Kenmerkend voor de Modernen
inleven.
derhalve
is
dat heel het kindschap voor hen een zaak van besef, van gevoel, van gewaar-
wording, van wederzijdsche f «-/iOMf^iw^^
is;
voor wat den
naam
betreft alleen
ontleend aan de vergelijking van een vader met zijn kinderen op aarde.
Geheel anders daarentegen leeren het de Ethischen.
Zij
het kindschap niet tot het besef en de gewaarwording,
maar dalen
af tot
oorsprong van onzen geest. Die geest in ons menschelijk wezen
den h.
namelijk bepalen
niet puur geschapen, maar uit het beeld Gods voortgekomen.
i.
door zijn
wij
als
we
in eigenlijken
zóó
aangelegd,
waarvan
menschen aan God verwant. Reeds zin van Gods geslacht.
dat
Christus
heel
En nu was
als
dit,
Daar-
menschen
zijn
naar hun zeggen,
menschheid één organisch geheel vormde,
de
van eeuwig (ook afgezien van
reeds
is
alle
zonden) het
organisch Hoofd was.
Met
of zonder zonde, dat deed er niet toe, deze
moest dus toch komen.
grondtype, zijn voleinding.
zijn
geschapen daar
zijn
band
tusschen in
hem
menschen
hem ontving ons geslacht zijn ideaal, En waar nu reeds de gewone mensch, door
naar Gods beeld, van Gods natuur en Gods geslacht
gold dit nog in zooveel hooger mate van dezen Mensch aller
menschen, van dezen eminenten Persoon onder de
aller
Eerst door
zijn
was,
Mensch
alle
personen. In
hem was
met het Eeuwige Wezen een oorspronkelijke. En de scheiding
God en mensch, derwijs weg, dat
die eerst in hij
Adams zonde was opgekomen,
viel
metterdaad Gods Zoon niet maar genoemd
kon worden, of worden zou, maar krachtens natuur en oorsprong was.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's