E voto Dordraceno - pagina 39
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND.
van bewust
blik zich er
hem
in
dat deze liefde niet uit
is,
voelt;
„Zoo
Vandaar dat
herkomstig.
die liefde mij
niet
wel
zeer
En
haat neigt. zooverre
maar
drijfveer
beseffen,
te
dat
op grond van die
van mijn doen. Ja,
in stede
hij
zelf kennis
maar toch
houdende
maar
niet in dien haat val,
De weg waarop
goedheid.
God de Heere Hij
mij
van
is
bekent nu
hij
zijn
tot liefde veeleer tot
nu betuigt en
belijdt hij
„Voor-
:
lig,
weet
ik
komen en
niet
gewis-
Dat
ik
nu wel neig en
mijn doen, maar Gods op-
ik sta, helt
wel schrikkelijk, en zoo
daarom kan
Hem
die haat tegen
;
maar
niet tot zijn
leef ik niet zelden zelfs uit de mij voor
Maar rekent ge daar nu
storte liefde.
te haten. is
zou ik wel terstond naar beneden glijden
losliet,
laat mij niet los, en
werking
en
lief,
wat mijn natuur aanbelangt, nog steeds geneigd ben. God en
ik,
naaste, niet lief te hebben
mijn hel,
ook niet
ik
ook als kind van God, mij nog buiten den invloed van den
ik,
dat
maar
mijn eigen geest adem,
uit
Heiligen Geest denk en dus nog midden in den dood selijk,
opgeweld,
én uit wat er nog aan lava gloeit onder den bodem van
uit zijn verleden
hart,
is
van God uitnemend
wordt ingestort, heb
meer dan zucht naar God,
zelfzucht
hem
juist zulk een kind
zoo ik niet uit dien Heiligen Geest,
én
33
III.
en dus niet uit zijn geest, maar uit den Heiligen
ingestort,
is
Geest
HOOFDSTUK
II.
Hem
inge-
buiten, bedoelt ge niet te vragen naar
hetgeen genade in mij wrocht en nog werkt, maar neemt ge mij in mijzelven, dan,
o,
Wet
des Heeren, dan neen, dan
er geen sprake
is
van dat
u volko-
ik
menlijk zou kunnen houden, want dan ben ik eer tot haat dan tot liefde geneigd,
en gaat de neiging van heel mijn inwendig bestaan eer lijnrecht tegen u in."
Had
Catechismus alleen gevraagd: „Kunt ge de
de
houden?" dan ware misschien nog afgoderij, beeldendienst,
vooral
ruwen vorm
niet op ieders
Vraag 4
Sinai door
in
haar
en
gij
deze
volkomenlijk houden?"
—
nu bezwijkt
wortel d.
cordaat,
nu
;
hoe
is
i.
alle
pas ter ontwijking
desperaat het
om God en En ook niet
nature geneigd
ware leugen.
:
en kan een kind van
Maar wel: wierd
toen
God
hij
voor
een
met
zijn
mijn naaste „Ik neig
om
hem
om
te
afgesneden
te haten. Niet:
ze te haten ;"
I.
haar
natuurlijk
en antwoordt zij
:
„Van
„Ik haat ze", dit
want ook dat
mag
vloekt tegen de genade
in.
haten." Evenals een die duizelig
afgrond stond, zeer goed weet en voelt:
om neer te storten", en hij ook neergestort hem niet met sterken arm had gehouden.
E VOTO DORDR.
;
persoon
tot in
natuur ook gelegen
niet zeggen, of hij
„Ik neig van nature
neigde gids
Wet
uw
wezen eischt; en nu daarna vroeg: „Kunt
deze belijder hij
weg
geestelijken ivortel heeft openge-
sneden, aantoonende hoe ze het zuiverste liefdewerk van heel
geestelijken
want
zelfmisleiding mogelijk geweest;
enz. ligt in dien
Gereformeerde landen. Maar nu de Catechismus eerst die
niet in
Wet van
Wet van Sinai
zou
„Ik
zoo zijn
zijn,
3
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's