E voto Dordraceno - pagina 493
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLIX. HOOFDSTUK
ZOND.
495
II.
we zeggen: „Wij
iavloeien, niet als een opzettelijke belijdenis, als wilden
gelooven ook nog aan de engelen, en aan het bestaan van Satan,"
een
als
ons
voor
realiteit
we voor
godsdienstig leven, zoodat
innerlijk
maar
onzen God niet kunnen verschijnen, zonder tevens aan die engelenwereld en gedachtig te
denken,
te
aan onze worsteling met Satans macht.
zijn
maar
Staat het nu met u anders, dat ge, ja wel aan engelen gelooft,
uw
in
niet
God
neerknielt,
„Uw
bede:
van
met
dat het noch
die engelenwereld
u,
vervreemd
zijt,
dan
blijkt hieruit,
gebed, goed staat, en dat althans de
gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde"
geschiede,
wil
uw
noch met
nooit vanzelf uit de ziel zou zijn
is,
dikwijls toch wordt deze bede alleen in
om
hulpe van God begeeren,
Gods
gebod
den
wil verzaken, en
ook
gelijk
dit,
we
bijna nooit bedoelt
den zin gebeden, alsof we
moeilijke levenskeuzen, als onze wil tegen
bij
overgebogen
zóó
overstaat,
te
worden, dat we onzen eigen
Gods volbrengen mogen. En ongetwijfeld
wille
bij
ligt
Maar
in ons slotartikel zien zullen, in deze bede in.
men
dat
Maar
deze bede in de eerste plaats zelf op ons ambt en onze roeping slaat. te
u
opgekomen.
hier de volle aandacht dient gevestigd,
Het tweede punt, waarop
al
ze
uw
innerlijke overpeinzing opneemt, en dus ook, als ge voor
het opzenden van deze bede de gewone plichts-
betrachting in ons gegeven Goddelijk beroep, in de bediening die we in ons
huishouden of daar buiten hebben
te bedienen, of
aan het ambt, dat God
de Heere ons in Staat of Kerk of School heeft toevertrouwd.
En
toch
is
het juist hierop, dat krachtens de verwijzing naar de engelenwereld, hier
de volle nadruk
hemel geen
valt.
zielstrijd
Het
immers
is
duidelijk, dat de engelen
Gods
in
den
kennen, die hen keer op keer voor pijnlijke keuzen
zou stellen. Voor zulk een keuze hebben ze eenmaal gestaan, toen Satan
met
booze
zijn
getrouw heven, elke
bleven,
en
sinds
neiging,
engelen ze
zijn
afviel
;
maar toen
nu voortaan van
volharden
ze
eenmaal volstandig en
die pijnlijke
zielskwelling ont-
ze niet slechts in het heilige,
hoe zwak ook,
om
af te vallen,
maar
volhardende, getrouwe, en gewillige gehoorzaamheid
ijverige,
is
zelfs
hun geheel vreemd. Van is
bij
Gods
engelen dus alleen in zooverre sprake, als ze een ambt of bediening van
hun God ontvingen, veel
die ze
hebben
uit te voeren.
En waar
wij nu, ons
meer geslingerd leven met het leven der engelen vergeleken, moet
dus ook
bij
ons in de eerste plaats gevraagd, hoe we voor
het óns aanbevolen werk,
d.
i.
in de
en bedrijven, die ons van Godswege Hierbij
nu
late
men
waarneming van zijn
die
God
staan in
ambten, beroepen
toevertrouwd.
terstond alle voorstelling varen, alsof wel die per-
sonen, die naar onze zegswijze een ambt en een bediening bekleeden, alzoo
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's