E voto Dordraceno - pagina 412
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLV. HOOFDSTUK
ZOND.
414
mét den traan der smart, het aandoenlijkste op
heiligste,
maar men wilde het gebed dan ook en
XIII.
heilig houden,
dat saambidden, en bidden waar anderen
al
bij
onkruid op dezen heiligen akker, en daarom roeide het gebed werd het gebed overal waar
van
En
tegengaan.
het
scheen
kostelijkste
men
en niet ontheiligen,
waren, was niets dan
men
het
gevonden,
dat
men
als
in
een
gebed
en haar God.
ziel
dan
mocht komen,
in
Als
uitgesloten. bid,
overluid,
ik
gebed
het
blijft
tusschen
God en mijn
gebed
mijn
waarheid,
God
voor
dat
gebed de
ziel
echter
lijfspreuk selijk:
meer het
Maar
God en mijn
hart,
hem
uit,
moet
en
bidden,
het
dan in
was dan God en ik zelf. Bij men nu den moed het deel van erkennen. En die waarheid is hier
alsof er niets
zijn,
gehalte zal
zijn,
God
brengt, dat ons gebed
hoe meer we ons isoleeren.
ligt bij
meespreken
geïsoleerde gebed uitgaan.
hoe
voor
nooit
van onzen grooten staatsman,
wil
tusschen
hart blijven, dan moet mijn naaste er
„In ons isolement
gebed
het
anderen,
Zal het daarentegen een zaak
zulk een spanning voor haar
in
van
er in.
worden
zou
gebed
als ik voor
moet worden toegegeven, dat een diepgaand en innig
tweeërlei. Vooreerst
te
zaak
een
in ligt, grifweg te
er
ons
deze theorie hebbe
van
aanhooren
het
uit
met anderen,
ik
niet
met hem,
nooit
ik
wel
of
als
maar dan komt ook mijn naaste moet
gezin
maar waar
dus wel, gelijk we zeiden, het gold de vraag, of onze naaste ook
is
ons
naam
mocht, dat het gebed, onzichtbaar en ongemerkt, leefde
tusschen een iegelijks
Het
In
uit.
anderen merkte
bij
binnentrad, waar geen gebed ooit in het gezinsleven voorkwam,
men vertromven
Alleen
aarde.
en
is
De bekende
bovenal op het gebed toepas-
Wie
het gebed vooral onze kracht." oordeelen,
moet daarom
van het
altoos
Hoe minder het gebed veruitwendigd
zich verinwendigt, des te teederder is het.
Dat
over
wordt, en vooreerst.
in de tweede plaats dient even gul toegegeven, dat het overluid en
gemeenschappelijk gebed maar
te
al
zeer misbruikt
en
is,
tot allerlei ont-
heiliging en zonde verleid heeft. Dit geldt niet alleen van bidstonden, die
gehouden te
stijven,
worden
niet
om
te bidden,
soms zoo dorre veel
te lange,
nu en dan pronkende gebeden
baren dienst en op vergaderingen tafel
maar om de kas door de
collecte
en daarom goddelooze bidstonden worden; niet alleen van de
en in het gezin.
De
;
maar ook van het
in
den open-
overluid gebed aan
oneerbiedigheid waarmee zulk bidden niet zelden
plaats grijpt, het formalisme dat er insloop, de sleur die er het stofgoud
van
wegblies,
was zeer
we het uitnemend en
liever
alle
dikwijls zóó stuitend, hinderlijk en ergerlijk, dat
verstaan, hoe velen van zulk bidden een afkeer kregen,
gebed
met anderen
er
aan gaven,
zaamheid de gebedsgemeenschap met hun God
om
alleen in de een-
te zoeken.
Ook de voorbede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's