E voto Dordraceno - pagina 346
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
348
XLV. HOOFDSTUK
ZOND.
IV.
van een andere hoogere wereld, en van het Eeuwige
zij
Wezen, dat
in
die hoogere wereld zijn troon gevestigd heeft.
Hoe
deswege het verschil tusschen het gebed van den onweder-
juist
geborene en den wedergeborene zoo diep moet gaan, komt later broeder ter sprake.
Reeds hier echter
gebed
nog
der
die hoogere wereld en
met een Eeuwig Wezen
telijke
hun eigen hart en den
zichzelf en
eeuwigen
in de zalen des
met
contact
Hem,
en het Koninkrijk der hemelen, en
ziel,
die als
meest scheeve, oppervlak-
lichts troont,
hun
kige voorstellingen, die elke diepte van wortel missen, en lijk
voort-
doen hebben, maar ze leven buiten de gees-
te
hebben omtrent
Ze
realiteit.
nood hunner eigen
Koning
gemis aan de rechte
met dat Eeuwige Wezen
gelooven daarom wel dat die hoogere wereld bestaat, en dat
Ze
spruit.
oog loopende wijze het
in het
niet vrijgemaakten ontsiert, uit het
gemeenschap met
ze
opgemerkt, hoe de holheid van klank en de
zij
van vorm, die zoo vaak op
uitwendigheid
elk
wezen-
Wat
maken.
die hoogere geestelijke wereld onmogelijk
hun besef
ze zich phantaseeren bestaat niet, en wat bestaat gaat buiten
om. Zoo knnnen ze zich dan wel opwinden, zich wel met den gloed hunner phantasie soms in poƫtische geestdrift verheffen, maar die heilige bekoring, de
alleen
die
gebed
keerden zeggen.
we intusschen
wat
en
gissen doet wat
nu
gebed
in die
tot persoonlijke
zijn,
alle
onbe-
met hun
die
bekeering gekomen
kan
komende soms
adem en de geur
de
wie
uit
zijn,
stam
maar
in
zijn
Van
derzulken
vroeg meerder warmte uitstralen, omdat de
reeds
nog niet opgeschoten.
uitzondering maken,
be-
maar
des levens u soms reeds
en wat God over hen geheugde.
is,
wortel der zaak in hen gevonden werd, ook al
gehouwen
mate van
gemoedsleven toch aan den demon de tanden reeds
verborgen
uitgebroken,
geven, verkrijgt hun
kan
zelve niet
Er kunnen wedergeboren personen
wust wilsleven nog niet wier
werkelijkheid
geestelijke
Iets
nooit.
het rijsken uit den af-
is
Voor dezulken moet ge dus een
zoo ge u bepaalt tot hen, bij wie niet slechts
de bekeering, maar ook de wedergeboorte, nog
toeft,
dan komt u een
kil-
heid en een koudheid tegen, die alle hooger bekoring vanzelf afsnijdt.
Eerst als in het licht des Geestes de zielsnood van ons eigen hart ontdekt
is,
genade weer.
en in den Middelaar de gemeenschap met een is
God van
teruggevonden, tintelt ook in het gebed die gloed van het leven
Wat
uitwendig
was
is
dan verinwendigd
;
wat bevroren lag ont-
dooide en smolt en begon weer in zijn bedding te vloeien.
en verlichte heeft, leeft
het
ziel,
nu
die haar
God weer
in een werkelijke
gebed
zich
niet
haar hoogtepunt bereikt.
En
die
in
oneindige
kent, en tot haar
En de bekeerde
God weer toegang
gemeenschap met den Vader alleen
ook
bij
uitspreekt,
haar
blijft
maar ook
in de in
hemelen,
het gebed
het gebed haar element
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's