E voto Dordraceno - pagina 255
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLIVa. HOOFDSTUK heid
de gratie Gods een Theocratisch idee noemen. Hiermee heeft ze
bij
maken, en wel bezien,
zelfs niets te uit.
257
I.
Alle Overheid
maar
treeks,
de Theocratie niet
sluit ze
de gratie Gods onderstelt toch, dat
bij
van
voerde.
begeerde,
maar zelf en
anderen,
Gelijk
dan
hij
ook
maar
God
tot
niet door tusschen-
rechtstreeks het bewind over Israël
Samuël
toen
zeide,
hadden:
volken
andere
de
gelijk
in,
niet rechts-
een Overheid een volk regeert; terwijl omgekeerd de
door
Theocratie juist hierin bestond, dat de Heere onze
komst
God
een koning
Iraël
hebben
„Zij
u
niet
ver-
worpen, maar Mij, dat Ik geen koning over hen zal zijn." Met deze Theo-
nu hing het tiende Gebod saam; en
cratie
alleen overmits er in Israël
een Theocratie bestond, kon zulk een gebod in Israëls rijkswet geschreven worden.
Wat
een ander volk ondenkbaar ware geweest, was in Israël
bij
Theocratisch
dat
Overmits God
God
door
zelven
Kenner der harten
was,
geregeerd werd, alleszins natuurlijk.
Koning was, en
Israëls
Koning dus tevens een
daarom en daarom
alleen
kon ook aan Israël een
zelf in Israël
gebod gegeven, dat zich geheel bepaalde
van
het verborgen terrein
tot
het
hart.
Zoodra toch de begeerte, booze lust of onheilige gedachte naar buiten
werkt
in
8 en ze
9,
woorden of in daden, valt ze onder Gebod
maar
zelven
er
niet
zoo
slechts
van
meer onder gebod 10.
lang,
3, 4.
5,
Onder het tiende Gebod
6,
7,
verwijlt
ze besloten blijft binnen in ons, en alleen wij
als
weten
2,
1,
dat
ze in ons
gekoesterd werd. Het tiende gebod
is
opkwam en min
meer door ons
of
dus de geestelijke sleutel op
al
de
geboden. Het straft onze zonden, niet van den buitenkant, maar van den
binnenkant
maar
Niet gelijk ze uitkomen voor het oog der menschen,
bezien.
gelijk ze in ons hart
woelen voor het oog van den heiligen God. Van-
daar dat de heilige Apostel uitriep
zonde
de
te zijn, indien
Wet
niet
:
„Ik had het begeeren niet geweten
gezegd had
Dit gebod hangt daarom op het nauwst
vaderen
het
meest
:
„
Gij zult niet hegeeren."
met ons geweten,
noemden, met onze conscientie saam.
of gelijk onze
Niet alsof de
conscientie een absoluut rechter ware tusschen goed en kwaad.
Dit toont
reeds Paulus' voorbeeld anders, die zelf betuigde, dat niet zijn conscientie,
maar de wet hem het zondig karakter van de baard.
Soms
ziet
men kan
kan nooit onze conscientie op
begeerlijkheid
had geopen-
de conscientie zeer ver afdolen, en daarom
maar
zichzelf,
snoer van ons bedrag en van onzen wandel
alleen zijn.
Gods Woord het
Maar wel
richt-
heeft de cons-
cientie deze vastigheid, dat ze ons bestaan, ons innerlijk bedoelen en elke
levensuiting eisch
ook
toetst
aan
Gods beschouwen. onze
conscientie,
E VOTO DOKDR. IV.
hetgeen
wij
op een gegeven oogenblik,
Dwalen we nu
in dit laatste, natuurlijk
maar voorzooverre ons
inzicht in
Gods
als
den
dan dwaalt wil zuiver 17
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's