E voto Dordraceno - pagina 486
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLIX. HOOFDSTUK
ZOND.
488
I.
hebt ge voor hetgeen God zelf uitvoert te berusten^ en voor hetgeen God wil dat gij zult uitvoeren te bidden
daartoe beide
om hulpe
u kome. Soms nu kunnen
bij
hoe verschillend ook
zielsworstelingen,
„Uw
den éénen uitroep:
uitvloeien in
phonie
der
beslist
tweeërlei
maar
ziel,
en genade opdat het innerlijk
die twee zóó in elkaar vloeien, dat
hoe ook in den klank
die,
inhoud
aard en oorsprong, toch
in
wil geschiede." Dit gelijk,
saamvat. Tegenover hetgeen
dan toch zeer gaat en
wil kome over
en ten opzichte van hetgeen we zelf te volbrengen en uit
mij-"
hebben,
ren
dan een sym-
God doen
„üw
ondergaan moeten, de betuiging der berusting:
wij
is
uw
de bede: „Geef mij de kracht, opdat
voe-
te
wil door mij ge-
schiede."
Met het oog op het Onze Vader houde men
er intusschen ook
bij
zulke
gecompliceerde gevallen altoos wel aan vast, dat het Onze Vader niets te
maken
heeft
met de betuiging van
lippen
legt.
Denkt
men
berusting, en ons alleen de bede op de
dus aan Gethsémané, dan
maar
de betuiging: „Niet mijn wil^
kj<j
zie
jr(7(7esc/nVrfe,"
men
wel
in,
dat
terugslaande op de
vraag der vertwijfeling, of de drinkbeker niet kan voorbijgaan, niets met
„Uw
de bede in het Onze Vader uitstaande heeft. Het
wil geschiede" in
Gethsémané was de betuiging van berusting, geen bede. Het
Ome
schiede" in het
Vader daarentegen
maar
uitsluitend een bede.
wijze
wat
zocht
in
in deze
de
bezig
:
Wil men dus ook
van klank van het:
„Tenzij dat ik
met Gods besluitenden
zelf
zou moeten volbrengen.
dig,
omdat
wil,
En
wil ge-
in
Gethsémané datgene aandan moet dat niet ge-
ligt,
„Uw
maar
wil geschiede,"
drinke." In het eerste toch was Jezus
en alleen in het laatste met hetgeen
hierop wel te letten,
is
hij-
daarom zoo noo-
niets zoozeer als juist de gelijkheid in klank van de betuiging in
Gethsémané en van de bede denkbeelden
hem
„Uw
geen betuiging van berusting,
bede van het Onze Vader
gelijkheid
veelmeer in het
is
en
in het
Onze Vader, de verwarring van beide
het misverstand van deze derde bede in de hand heeft
gewerkt. Zeer terecht spreekt de Catechismus hier dan ook niet van on-
derwerping^ maar van gehoorzaamheid..
werpen we
God
is
ten
ons,
Gods gebiedenden
wil
Aan Gods
hebben we
gehoorzamen. In beide
onze Souverein, voor wien we ons te verloochenen hebben,
opzichte van zijn besluitenden wil, doordien
ten
stellen,
besluitenden wil onder-
te
opzichte
van
zijn
gebiedenden
wil,
we ons
lot in
doordien
we
maar hand
zijn zijn
gebod
uitvoeren.
Al
wat
op onze onderwerping aan en berusting in Gods besluitenden
wil betrekking heeft, laten lichting
we
van het derde gebed
uit dien hoofde verder rusten. Bij uit het
Ome
de toe-
Vader hebben we toch
niet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's