E voto Dordraceno - pagina 299
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXIII. HOOFDSTUK
299
II.
Niet alsof dit alles anders zou worden, zoo de mensch weigert te geloo-
Kaïn was en
ven. Dit toch kan niet.
Adana vóór
was
uit
kracht in zijn spier waarmee
De
zijn val.
kracht
God
bleef even afhankelijk van
hem
in
verandert
dit
Gods hand
in
blijft
en
Ook de ruwste
bewegen.
kan
had God en
is,
God
overmits nu
waar
is,
aan toe
hij
mensch en
Gods,
maar
in
En
zijn
wil niet verroeren bij
Gods
noch
gratie.
En
waaraan Gods
kruispaal,
is
;
gelet,
God
mensch naar
schiep den
de Heere geen o«bewuste kracht,
in te zien hoe hij zijn
Zoon
diepe afhankelijkheid van
zijn beeld.
maar een zelfbewust mensch om
te weten,
bestaat, en zijn gedachten en over-
waren toestand
te
vereenigen.
eisch van zijn wezen, dat
is
lieve
Satan laten groeien.
niet
in
Hem
bij
niet alleen als schepsel
hij
besta,
Het hoort dus
en
uit
Hem
alleen leve,
dit
overeenstemming brenge.
nu
vreest.
juist
het onderscheid tusschen de goddelooze en dien die
is
Beiden én de goddelooze én de Godvreezende
selen, beiden even afhankelijk
dan
Ook een goddeloos zondaar
niets.
ook, dat hij dit alles wete, erkenne, wille en zijn innerlijk bewustzijn
daarmee
God
liefde lasterde,
dus gelooven, of niet gelooven,
zoo hoort het ook tot het wezen van den
leggingen met dezen
den
Gods vergevende
wij
spotter leeft dag aan dag
Maar, en hier moet wel op
Wezen
hij
zonder
zich
Het hout voor den
voortbracht.
genageld
En
Abel doodsloeg,
de ontzettenste zonde wordt nooit een kracht aangewend, dan die
zelfs bij
God
wezen der zaak
het
in
Of
misbruikte.
die hij
als
gewerkt, ja zelfs de kracht in de tongspier
en de kracht der redeneering, waarmee
was kracht Gods
hij
God
beiden schep-
van God, en beiden geen kracht bezittend goeden gevloeid
die uit de Fontein aller
zijn
Maar
is.
hierin staan ze lijn-
recht tegenover elkander, dat de Godvreezende dit alles weet, erkent, inziet, wil
en er zich naar richt, terwijl omgekeerd, de goddelooze het bestrijdt
er tegen ingaat, het niet wil en er een leugen tegenover stelt. Bij beiden
werkt dus wel het bewustzijn, maar
van
dat
hij
bij
den rechtvaardige
waarheid zooals
bestaat niet gelooft,
zij
maar
de plaats fantaseert, de leugen namelijk dat zijn
uit
eigen meester
God
is.
en
de
Want dat
leugen
aan. Dat
is
zijn
is,
en dus
is,
hij
niet afhankelijk, dat hij
en dat de kracht waarmee
of hij
nu
zijn
er een leugen voor in
hij
leeft
en werkt niet
steunpunt en de bron zijner kracht zoekt
in de natuur, in de rede, in zich zelf of in Satan, dit is al
De waarheid
de werking
is
het inziet en erkent zooals het
goddelooze het betwist, het ontkent, het loochent, en nu
gelooft, terwijl de
de
dat
bewustzijn,
hij
dat
alleen uit, door en voor hij
uit,
God
om
het even.
bestaat, gelooft hij niet,
door en voor iets anders bestaat, neemt
ongeloof en in dat ongeloof
is
zijn zonde.
hij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's