E voto Dordraceno - pagina 464
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
466
XL VIII.
ZOND.
waarop
zijn volk leeft.
macht. Of de oogst
dat niet zijn bezit
een
op
steeds
zich
er iets tegen
hij
en
is,
schappij
en
tiert
Maar
en
;
hier
het
is
vermogen
is
van dat van
macht en heerschappij beweegt
gebied
te
midden van het onderling
hem om,
zonder dat hy er macht over
Deze Koning
niet.
bezit
macht en
voert
menschen, maar evenzoo over het land, dat
niet enkel over
heerschappij
vermag. Ook bezit het volk
het overige leven in huisgezin en maat-
al
kwijnt buiten
zoo
zijn
hij in zijn
afwachten. Volksplagen
hij
zijn persoonlijk
beperkt
zeer
verkeer zijner onderdanen
heeft.
moet
of karig zal zijn
onderdanen onderscheiden. Kortom
zijn
I.
Storm noch wind noch aardbeving heeft
rijk
kunnen uitbreken zonder dat allerlei
HOOFDSTUK
ze bewonen, over de krachten der natuur die op den akker, in de lucht en
planten- en dierenrijk
in
gaat
rijk
over
om
We
geschapen, naar lichaam en
zijn
levensverband staan
het
;
alles zijns.
Zijn konink-
op een wereld waarmee we in
ziel,
midden van een
te
middelpunt
geestelijk
vormt.
En
waarvan deze
heelal,
groot geheel, waarvan
dit
en deelen in organisch verband staan,
stukken
alle
is
geen sprake van een koninkrijk
dus
hier
is
zou gaan. Gansch deze deeling komt hier niet in aanmerking.
organisch
wereld
werken. Kortom het
Er
zou uit de zedelijke wereldorde, en buiten de orde der na-
onstaan
dat
tuur
alles.
is
als
één machtige
schepping aan de mogendheid des Heeren onderworpen. Hij heerscht over alles.
Zijns
haren
uws
alle
sierlijkheid
eeuwen, van
Het
bekleed.
alle sferen,
met het oog
is
zijne.
De
geteld en ook de veldlelie wordt door dezen
hoofds zijn alle
met
Koning
de diepte der zee en de toppen der bergen zijn
is
van
Zijn
koninkrijk
is
een koninkrijk van
alle creatuur.
hierop, dat de Heilige Schrift zich niet bepaalt tot
de heerschappij Gods over ons menschelijk hart, maar ons in de toekomst
een
vergezicht
God Koning van de heel
opent
rivier tot
op
een
staat
zal in majesteit,
zijn
van algemeene heerlijkheid, waarin
en zal heerschen van zee tot zee en
aan de einden der aarde,
zulk een zin Koning in
ja, in
schepping zal wezen, dat het gansch heelal één
zijn
rijk
der heer-
lijkheid zal
vormen, waarin God
Koning
In
het
rijk
der gezaligden. Koning van het rijk der engelen en
Koning
in
het
rijk
der herstelde en herboren natuur. Edoch, en hierop
moet nu
zelf als
met
God
is
en
en in allen zal
zijn.
Christus' wederkomst terugkeert,
verstoord. Niet verstoord in dien zin, alsof ook
eenig ding aan de
of
alles
de aandacht gevestigd, dit Koninkrijk van God, dat er in het
paradijs was, en in de heerlijkheid is
Koning
blijft,
maar één oogenblik één
macht Gods ware onttrokken. Dit kan
en geen creatuur zich tegen
bewegen kan. Maar wel
is
niet,
Hem, zonder
omdat Hij
zijn wil, roeren
het Koninkrijk in zijn schoone evenredig-
heden, in zijn organische werking, in zijn harmonische eenheid verstoord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's