E voto Dordraceno - pagina 83
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
XX. HOOFDSTUK
ZOND.
Maar nu door den
ging het omgekeerd,
val
83
II.
al
verder van
God
Inner-
af.
een drang, een leegte, een heimwee, een bange verscheurdheid, die
lijk
maar
niet begreep,
was,
om
toch
feitelijk
Zoolang
een
steeds verder van
nu
hij
bedwelmd als
met
hem
deert
is,
Hem
God
zijn
hij
hebben, terwijl
te
hem
dat
ontsluiten,
weer
hij
in,
oog
zijn
Maar ging dat oog der open, en kreeg
hem
bange zielswee
dat
zijn hart,
en
Straks
Trooster,
om
dagen en
bij
smart.
zijn
innerlijke verbrokenheid, o,
zijn
ademtocht en
zijn
al
weet niet van
hij
door inwerking van wederbarende genade
ziel
kennis aan
hij
zich en
sluit
maar
beeft en siddert,
hij
toch deze oogenblikken van siddering werken zijn bekeering niet. slaapt
en
door zijn hart schieten en de donkere diepte
bliksemglinstering
voor
ligt
Soms, een enkel oogenblik, moge er dan
niet.
dit
hij
afdoolde.
deze verscheurdheid innerlijk slaapt, in zwijm
bij
ijzingwekkend
zich
voortkwam, dat
die enkel daaruit
steeds inniger gemeenschap
hij
er op aangelegd
dan schijnt
nachten door de wonden van
bij
één roepen
al zijn zielzucht is
één die met dezen moede een woord te rechter
om
een
spre-
tijd
ken kan.
Maar wat baat het almogende houdt?
en
En
intreedt
alles
is
wel
kostelijk
gegeven
wordt
aan
en overvloed, zoo de mij
niet
de
uw
trek,
tafel,
hem
maar,
ai
mij,
ik bij
hoe
rijk
genie-
gedekt en overvloed
ook het voorwerpelijk heil voor mij
heil
prijs
blijd-
de Heilige Geest niet innerlijk in ons indringt,
beweging
te zetten
van
spijs
des
uitgestald,
en redding tot stand brachten, toch werkt het niet
geen juichtoon op de lippen en kan de
trek,
zij
en de eere ga voor wat èn Vader èn
als
die
baten,
te
den rijksten disch, en de
brengt
er
Dat
wat baat mij die weelde
en
begeeren;
hem
m^iinnerlijk
disch is rijk
o,
de smaak, de innerlijke harmonie met die spijs
en hoe hoog ook de lof en de
Zoon voor mijn
weet dat de Middelaar voor
zonden verzoend zijn?
Eer wordt het een terging.
niet.
En daarom
Uw
ziel?
toekomt? Dan verhonger
schap komt
al
zijn
draagt en in stand
en goddellijk groot. Maar wat zal het
en drank dekt
-spijs
hij
en dat
goed en zoo goddelijke schat
als zoo kostelijk
van
den Vader
bij
hem
kracht Gods
ook wat baat het hem, of
hem
ten
zulk een ontdekt zondaar nu, of hij al weet dat de
alomtegenwoordige
er
om
dorst,
er
honger naar
het tot ons te
levens
ons
nemen
den smaak
;
te
te
en
ziel niet
om
verkwikken,
in ons dat heil te
wekken; het geloof in bij
het tot ons
nemen
geven voor haar geur en
haar sap.
Op God zelf is de ziel aangelegd, en daarom kan ze in niets minder in God zelven rusten. En zoo maakt juist ons geschapen zijn naar
dan
Gods
beeld, dat er geen vrede, geen harmonie, geen evenwicht, geen inner-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's