E voto Dordraceno - pagina 494
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
496
XLIX. HOOFDSTUK
ZOND.
II.
bidden konden, maar niet die groote menigte van mannen en vrouwen en kinderen, die tot een gewoon leven, en noch in
betrekkingen
ambt
geroepen
Zoo
bediening ontvangen.
of
mensch
Ieder
worden.
Kerk noch
hoogere
Godswege een
heeft van
met het kind op
het reeds
is
in Staat tot
school,
dat in het leeren van zijn lessen, in het goed en geregeld afdoen van zijn
werk, in het verkeer op school gelijk het behoort, voor die eerste kinderjaren zijn Goddelijk beroep ontving. Zoo
Zoo
doen.
is
het
met den
geld voert. Kortom, zoo
ook geplaatst
Godswege hebben,
saam
huismoeder,
richten.
is
het met een iegelijk, in wat stand of betrekking
men
in
zijn
betrekking een roeping van
en zoowel het werk dat we daarin te volbrengen
de verhoudingen waarin we daarbij te verkeeren komen,
de
bediening,
Een
iegelijk,
of
het
beroeping,
ambt
uit,
dat
hij
waar ook,
zij
zij
we voor het aan-
leerling of meester, baas of knecht,
of vrouw, of in welke verhouding hij ook in dit leven sta, heeft te
volbrengen, en wel te verstaan, dat
in
alle
deze
betrekkingen
maar
aanstaat of gevalt, in dien zin
nu
niet
hierin
zegt de bede:
uit te
ambacht, op een kantoor, op
in huis, op het
hij
maken
Hem, hebben
Gods, en onder verantwoording aan
onzes
schip,
rentenier, die het rentmeesterschap over zijn
altoos heeft
zij,
te vervullen,
als
de
gezichte
een
stille
gading, die in gezinnen of op werkplaatsen of op bureelen dienst
allerlei
hij
met de
het
is
Met de dienstboden en werklieden van
die haar gezin heeft te verzorgen.
in alle deze
werk heeft
te
Gods
„Uw
hij
te
man
Gods
vril
werkzaamheid en
hem volbrengen. En
gaan, gelijk het
ordinantie heeft te
wil geschiede, gelijk in
den hemel, alzoo
op aarde," niets meer noch minder, dan dat een iegelijk opzie naar
ook
de wereld van Gods engelen, er in geniete zoo getrouw en gewilliglijk als deze in hun wereld
zijn
als
hun Goddelijk beroep
het zichzelf verwijtende hoever
over
hij
volvoeren, en alsnu, hier tegen-
daar nog van af
is,
de bede tot
God opzende: „o, mijn God, maak ook mij in mi^w Goddelijk beroep uw engelen, zoo getrouw." Een bede, die, gelijk we zeiden, een vroom
kind
zelfs
voor
zijn
school
zal bidden,
opdat
hij
ook daar verkeere in
wiUige gehoorzaamheid aan zijn God,
En
wie zal nu nog vragen, of er niet alle oorzaak
deze bede steeds in onze heid
?
Deze, immers, dat
ziel te
laten leven?
om met Gods Kerk
Wat te
is,
om
toch
is
den drang
tot
de werkelijk-
beginnen, overal klachten
worden vernomen, dat de Dienaren des Woords en de Ouderlingen en de Diakenen in het bedienen van hun Goddelijk ambt zoo telkens en zoo veelszins te kort schieten, en dat
waarheid gewilhglijk
zeggen
kan,
volbracht
men
zoo zelden,
na een zeker aantal jaren, naar
dat iemand zijn bediening steeds getrouwelijk en heeft.
Wat merkt
ge van de trouwe bediening en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's