E voto Dordraceno - pagina 443
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLVII. HOOFDSTUK
dan de Openbaring die God ons aangaande
niets anders is
Heeren
ven gaf. Wij uit onszelven kennen God
Hem
we
noemen
Hem
we zeken ,
is,
daarentegen God de Heere
Wie
roepen:
uit te
uwen naam? Dit kan niemand. Dit kan aan ons kan Hij
alleen
God
U noemen bij
zal
uit
genade zich-
zelven aan ons openbaart. Openbaart Hij zich niet, dan staan
eeuwig mysterie en besterft alle toespraak tot onzen
Maar openbaart
om
leen,
we
ons onzen
Hem noemen onder
heeft
baard, zoo
heeft.
bij
heeft,
naam Want
God
zooals Hij
gelijk
wij
noemen,
volle
zijn
noode dat
wij
Hem te
wij
Openbarende God geheel
Hem,
en niemand kent
wij
noemen. Er
God
tenzij
daarom
naam waarmee
maken; ons
niet
te
bij
zijn
hetzelfde. Alleen
is
ondoorgrondelijke diepte uit-
zijn
en daarom
;
spreekt,
is
alleen van
naam, voorzoover Hij door
Naam Gods, of de zich wie Hem kent kan Hem noemen, is
zelf zich
de
hem geopenbaard
aan
hebbe.
zon en haar schijnsel geven hier het treffendste beeld ter opheldering.
De
Wat in
licht,
is
nu ook
de
het
is
niet de zon zelve,
alleen haar schijnsel ons bereikt.
staat, en
God de Zon,
die in zijn
is
het ook:
schijnsel der
zijner
Openbaring naar ons
met het
van God, maar met God
schijnsel d.
i.
zoo
uit-
geniet, dit Goddelijk licht indrinkt, en bij
Openbaring wandelt, zegt evenzoo dat
zijn Openbaringslicht,
En
wezen zich voor ons verbergt, maar
den glans
Maar wie nu den glans
heeft niet
is
Daarom zeggen we
zon zelve die ons aandoet.
zijn licht, zijn heilig schijnsel, straalt.
opnemen
weinig zon in die kamer", al weten we zeer wel, dat de zon
te
aan den hemel
zelve
in ons leven
het schijnsel, dat van die zon uitstraalt; en toch
schijnsel
dit
„Er
wat we
genieten,
wij
maar het
in
al
God kennen en noemen
menschen kan gekend worden
naam
zoo heeft Hij zich aan ons geopen-
is,
wezen in
maar hiermee hebben
spreken;
dit al-
Hij zich aan ons
wel meer in God dan ons geopenbaard werd, en nooit zal de
Hem
lippen.
dan strekt
naam. Wie van Gods
zijnen eigen
dus te verstaan:
naam, en zoo hebben
zijn
is
we voor het
God op onze
te leeren kennen, en ons te doen verstaan, hoe
God
zullen
dien
geopenbaard
gedaan
Hij zich wel, gelijk Hij
maar ook
zichzelven,
noemen mogelijk maken, doordat Hij
dit
hoe
en niemand nader," voegt het ons met Von-
den reizang van den Lucifer
del in
zichzel-
niet,
kenden, zouden
uit onszelven
Na
een 7iaam kunnen geven.
bekend
en weten dus ook
niet,
Hem
Indien we
zullen.
alleen zichzelven
445
I.
in zijn
Naam
gemeenschap
hij
zelf,
omdat
Hij zelf
tot ons komt, gelijk de zon
ons aandoet in haar koesterende warmte. Staat het nu zoo met den duidelijk, gelijk
de
Naam
des Heeren, dan
wat onder de heiliging van dien naam zon
in de duisternis dezer aardsche
schitterende stralen uitzendt, zoo ook zendt
is
het immers tevens
te verstaan
zij.
Immers
natuur haar glinsterende,
God de Heere den blinkenden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's