E voto Dordraceno - pagina 393
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
XXIV. HOOFDSTUK
ZOND.
aannemen
en
uitreiken
Dat
afkeurt.
edel
van
een belooning als zelfzuchtig en min
zulk
dan
klinke
lijnrecht tegen de Schrift in
zeer
en
fraai
moeten aannemen
had
Troom, en toch gaat het
en leidt er consequent
;
dat de zedeleer Tan het Evangelie laag staat niet
393
VI.
;
toe,
met
„loon"
ware
verdienste
verlangt,
Maar
doen.
te
stee
in
mag
weg van de
streng te keer gaan, elk
van
prijs
en belooning,
Wie een belooning
tot loon voor
maar
uitgelokt,
hooger leven
alle
van hooger leven. de prijs of het pa;<ra-geschenk uit het leven
weg
school, en niet
moge door het misbruik,
hebben
alle
den eisch van
uit het huisgezin, en niet
uit het burgerlijk leven. Zelfs de thans zoo
„fooi"
van
kanten bestreden
alle
dat er van gemaakt
is,
bestrijding
felle
rust in beginsel op een gezonde gedachte. Mits
en daar komt hét maar op aan, er maar nooit een recht aan laat
men,
ontleenen,
gaat
en
ze nooit als een opslag op het loon beschouwt.
weer
„belooning"
de
het
alles
dit
de
En
hoe moeilijk het nu ook
zuiver te laten loopen, toch
lijn
Dan
toch
karakter van een stilzwijgend bedongen
„loon" dragen, en ontaardt hierdoor. in
en
keer,
te
die gaat tegen
ja,
„belooning"
als
niet weg. Niet
weg
plicht
zijn
kweekt zelfzucht
in en
En dus
verwarren.
is.
ook hier „belooning" niet
is,
alsof een kind niet, ook afgezien
denkbeeld,
gehouden
zal doen, dat
de kerken van
hij
Klein-Azië lokt, niet naar den eisch van het Heiligdom
Maar wat een Christen wel
te oordeelen,
dat Christus zijn belooning
en dat de wijze waarop
;
om
mag
zij,
om
nooit toegegeven,
dat het uit de wereld helpen van elke „belooning" een eisch der hoogere zedelijkheid zou worden.
Woord
Wie
weten, en jaagt een zedelijk ideaal na, dat wortelt in geestelijke
hoovaardij, en waaraan juist
Gods
van
onze
die
naar het
dat zegt, wil het beter dan de Heere in zijn
kinderen
ontbreekt. Vergete
Catechismus
verdienste,
onthouden
daarom het
maar van
trok uit
kinderlijk karakter
men maar
met de woorden
:
genade,'' en hebbe
„belooning"
zoo
dikwijls
van het leven
nooit de scherpe
lijn,
„Belooning geschiedt niet
men den moed, om door men dit noodig acht, het
karakter van ongehoudenheid, dat van elke „belooning" onafscheidelijk streng te handhaven.
geen
ik
belooning
Iemand toch
kreeg,
die werkt niet als een kind van
Op
dit
die
dan had
ik
zeggen zou
„Had
:
is,
ik geweten, dat
mij die inspanning niet getroost",
God, maar
punt nu gaat de Catechismus
slooft
in de
als
een huurling.
64ste Vraag
in,
door te
onderzoeken of deze leer geen zorgelooze en goddelooze menschen maakt;
van
welk
dat
zoo
onderzoek de uitkomst wie
Christus
is
:
„Neen
zij,
want het
door een waarachtig geloof
voortbrengen vruchten der dankbaarheid."
is
is
onmogelijk,
ingeplant, niet zou
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's