E voto Dordraceno - pagina 145
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. LXI. HOOFDSTUK
genade behoort, en het
niet tot de
waaronder ze leven hebben
2". dat
is,
zich niet vrij achte,
maar
schikken, voor zoover deze niet ingaat
te
de stellige uitspraak van het recht Gods, gelijk dit in zijn
tegen
geopenbaard lijk
ge derhalve door vast te
veiligst gaat
Heeren zich naar de regeling van de Over-
stellen: 1". dat de belijders des
heid,
147
III.
men
om
bij
datgene
al
zich hierbij allereerst binde aan
een huwelijk zijn kan
;
doen wat de Overheid toelaat
te
Gods Woord; en
dan een huwelijk sanctioneeren,
slechts
Woord
het aangaan of toestaan van een huwe-
als dit
3". dat de kerken
naar eisch van Gods Woord
en anders haar sanctie onthouden.
Die regelende leiding der Overheid zal dus, onder het gestelde beding,
moeten
ook gen, ze
en
aanvaard worden ten opzichte van de huwelijksverhinderin-
God
de Overheid zal het voor
genoegzame
de
hierbij
verantwoorden hebben, indien
te
aanwijzingen der Heilige Schrift uit het oog
Want ge kunt wel zeggen In Leviticus XVIII en elders is deze zaak door God zelf geregeld, en dus heeft de Overheid niets meer uit te verliest.
maken
:
maar wie
;
Lang toch
zoo spreekt, vergist zich.
in
aanmerking komt,
al
nam
is
XVIQ
in Lev.
geregeld, zoodat de Overheid, ook
ze deze regeling letterlijk over, toch
zou hebben. Maar bovendien, geheel
wat hier
niet alles
dit
nog ook
standpunt
zelve allerlei te regelen
is
onhoudbaar. Ge kunt
noch moogt de burgerrechtelijke bepalingen van het Oude Testament, zoo ze
daar
staan,
volken.
Ook
niet in volstrekten zin
als
wordt in huwelijk
vs. ;
beschouwen
wet
de
als
Gods voor
XYUI
wat in Lev.
alle
landen en
staat.
Daar toch
20 de doodstraf gesteld op elke overtreding ook
in zake het
en wie heeft nu ooit staande gehouden, dat wie tegen een dezer
bepalingen zondigt, ook nu nog door de Overheid moet worden ter dood veroordeeld en ter dood gebracht? Zelfs
op
gewezen,
bij
XVHI
Lev.
dient er
God aan
dat ook deze wetten in de eerste plaats door
volk van Israël in den toenmaligen
tijd
gegeven
zijn,
daarom
wat haar onderscheidenlijken inhoud, maar niet wat haar
letterlijke
lingen aangaat, voor alle eeuwen en landen gelden. Vooral
bij
springt
dit
duidelijk
in
het oog, zoo ge
huwelijk.
Een man, wiens gehuwde broeder
kinderen
naliet,
trouwen;
maar
hij
moest als hij
met
die
achtergelaten
met haar trouwde, zoo
des doods schuldig. (Lev.
XVIH;
16.)
Leviraat-
en een weduwe zonder
weduwe van zij
bepa-
het huwelijk
maar denkt aan het stierf,
het
en dat ze dus wel
zijn
broeder
wel kinderen had, was
Zegt ge nu dat één van deze
bepalingen voor alle tijden en landen geldt, dan natuurlijk ook de andere.
Nu
beweert intusschen niemand, dat ge ook thans nog
bij
de kinderlooze
weduwe van uw broeder zaad moet verwekken. Die bepaling beschouwt
men algemeen
als
verouderd
en thans niet meer geldend.
Goed, mnav
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's