E voto Dordraceno - pagina 406
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND.
400
XV. HOOFDSTUK
wezen, maar uit den staat waarin
En
III.
door het Besluit Gods gesteld was.
hij
een eigen persoonlijk lijden, maar
eindelijk, dit lijden ontstond niet uit
dragen van den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken
uit een
geslachts.
komen
Thans staan
we
derhalve
heeft
die
vraag
naar
zijn
hoe
onder
nu
ver-
te
heeft de kerk steeds geleerd, dat Christus geleden
menschelijke,
die
Dat
ziele."
kon,
maar het oog hehhe
Gods, ter bestrijding van de
natuur natuur
geen
van
voorstelling
en hoe zou nu ooit de toorn Gods
was
ontbranden,
van goddelijk weerspreekt
we hierop ook Er
leggen, toch
toch
is
menschelijke natuur
deze
bloed
en
vleesch
alleen
stof des doods liggende
maar het
aannam;
is
en
lijdt,
er
ook
dit lijden
Middelaar geen
den
in
scheiding, zoodat hetgeen de menschelijke natuur
door die natuur zou zijn geleden,
dit.
mag
God de Zoon met
gegeven, alsof
getreden.
of in deze goddelijke
en het wezen zelf der goddelijke
aard
zelf
„een lijden naar lichaam
een gedrukt worden onder den toorn
kunnen
De
sterker nadruk
hoe
aanraking
in
De naam
dit uit.
sluit
toch,
weer
zijn?
onheiligs
ot^
alleen de menschelijk natuur lijden
iets onheiligs,
natuur
goddelijke
iets
En
maar
niet de goddelijke,
duidelijk. Alle lijden toch is
is
tegen
niet naar zijn goddelijke natuur; een
en
menschelijke natuur maar niet uitsluitend aan een lijden van
lichamelijken aard denke,
die
lijden
dit
nog steeds dient beleden, mits men met den Catechismus
die
uitspraak,
niet
vraag,
de
zij.
Op
en
tot
onpersoonlijk alleen
blijft altoos
de Zone Gods
en ze aannam gelijk ze uit ons
kon genomen worden,
d.
i.
verzwakt en in het
en ze in dezen staat droeg, wetende en ervarende
;
dat de last des toorns Gods op haar rustte.
Het
de onuitsprekelijke ontferming des Heeren, die hier moet groot-
is
gemaakt. Zijn ontferming, dat niet
hij,
die in de gestaltenisse
Gods was, zich
om in gedaante als een mensch op te treden; om op te treden „in de gelijkheid des zondigen
alleen geleend heeft,
maar ook vleesches" zijnde,
zich ;
en eindelijk er zich toe leende om, in gedaante als een mensch
en in de gelijkheid des zondigen vleesches gekomen, als Hoofd der
menschheid zich voor
op zich
leende
in
God
nam
Adams
plaats te gaan staan, en
te stellen, als
ware
hij
nu
als
de tweede
Adam
de ergste aller zondaren, zooals
en droeg den last des toorns
hij
Gods tegen de zonde van heel
ons geslacht.
In zooverre was dus de Zone Gods zich volkomen van het hij
in de menschelijke
zoomin
als
natuur dragen zou, bewust, ook
al
de zonde, naar de natuur zijner Godheid, in
persoon doordringen.
lijden,
dat
kon het lijden zijn goddelijken
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's