E voto Dordraceno - pagina 515
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. L. HOOFDSTUK
Gode toekomt, en dus
geldelijk bezit beschouwt, niet als iets dat
maar
onze,
het Zijne
komt
is,
517
II.
niet het
bidden van de bede: „Geef
tot het rechte
mij heden mijn dagelijksch brood" nooit. Hij heeft geld,
hij
koopt er zijn
brood en zooveel meer voor. Hij heeft brood te over, waarom zou voor brood dat het zijne reeds
saam met
weer
hun geld van God
dat
in,
indien
nog eerst bidden ? Dit hangt dan evenzoo
om
Ze zien niet
mildelijk te geven.
en achten dus, dat ze
is,
hun eigen geld een
van
ze
is,
onvermogen
veler
al
maar
ze geven,
moesten geven.
Vóór
dit
hun
dingen
alle
Ook de leden
uit
nu komt
hebt
wat
gij
voor
gij
kast
heeft,
ligt,
hun
wie
vroom
geld en niet het geld van voor
zijn
uw
geld koopt,
is
en
van
blijft
geld
is
geld van God, ook
uw
God,
brood behoort Gode toe," en dat ge,
dit
alvorens het te nemen, en te nuttigen,
uwe
m
den gebede
wijl
al
het u toe-
tot Hij
dan spreekt het vanzelf, dat ge ook van het brood op uw
„Ook
ware.
wil wandelen, deze
u geve. En staat ge daarin nu eenmaal met uw overtuiging
reike en
zult:
God
God
gezwoegd; en dus ook
er in zijn dienst voor geslaafd en
uw
nog zeer
ligt
dezen stand toch geven wel,
van die valsche voorstelling, alsof
alleen
valsche voorstelling dus te bannen. Neen, al al
zijn,
zoo weinig. Zooveel minder dan ze konden en dan ze
o,
En
het geld dat in
vroom
zeer
kleine kleinigheid voor den arme, of
voor Gods Kerke afzonderen. Vooral de gegoede middenstand vast in dit euvel beklemd.
dan
hij
tafel,
vast,
erkennen
het Godes
uw God uw hand
is,
zult vragen
„Geef mij
dit brood,
Dit dempt
dan vanzelf de ontevredenheid, die zoo licht mort, als de spijze
niet
naar
onzen
dat het
smaak
is,
is,
opdat ik het uit
ook niet
of
rijkelijk
ontvange."
genoeg naar onzen zin
wordt toegediend.
Immers we hebben op recht;
en
veeleer hebben
genade,
niets, zelfs niet
alles
onzen
het
zoo
we
op het kleinste stukske brood
verbeurd; en het
God
belieft,
uit loutere
is
goedheid
ons de nooddruft des levens te
schenken.
Doch
er ligt
nog meer
nu
dien zegen ligt het als
God
er mij
brood
dat
God het
niet zoo, dat gij
nu maar
zijn
zegen
omdat ook
werken,
het
in deze bede, ze doelt ook op
dit
bij
denken zult
:
den zegen.
„Ik heb mijn brood,
verleent." Neen, de zegen
brood niet
is
Met
moet
in
en niet bestaat, zonder
schiep en het als brood in stand houdt. Hij schiep het. Hij
verordende de ordinantie, dat de aarde uit haren schoot met vele andere kruiden ook het vruchtbaar en voedend graan, de tarwe, de rogge, de maïs
en
zooveel
voortbrengen
meer
zou voortbrengen; en wel dat de aarde dit graan zou
op zulk een wijze, dat er juist die bestanddeelen in zaten,
die voor de voeding
van het menschelijk lichaam noodig
zijn.
Doch
hier-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's