E voto Dordraceno - pagina 152
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
146
ZOND. VIII. HOOFDSTUK
over
de heilige Drievuldigheid vreet te redeneeren, en waant dat
maar
begrijpt,
nog nooit
die
I.
God ontmoet
zijn
het
hij
en nog ganschelijk
heeft,
den Heilige niet kent, en die toch voor godvruchtig en godzalig wil doorgaan,
de dorre verstaudsploeger, de geestelooze intellectualist
hij,
hem
over
ge dan een innige
vindt
en
waren,
begrijpelijk de zaak beredeneeren al
En
tegen-
ziel,
van Gods verborgen omgang genoot, maar die niet
veel
die
!
voor wie de ontmoetingen vele
kan
en die sappige
;
klaagt dan
ziel
bij
haar heerlijkheid nog over gemis!
Want tegelijk
dit
Dat
U, den Eenige, kennen.
ze
een
rechtheid
God die
genade
uit
deele.
Hem
hegrijpen,
Adam
in
geschonken,
En
zou.
Maar
niet."
maar dat
den staat der opdat
zijn
hij
de heerlijkheid,
dit is
goddeloozen wordt gegeven, dat de Zoon
verkoren
openbaart, opdat ze
En daarna
we, ook gekend
was
maar „recht kennen"
aan
Vader
den
God
aan
het, dat
is
kennisae
oorspronkelijke
niet begrijpen,
hun
groot en wij begrijpen
is
het eeuwige leven, niet dat ze
dit
is
„God
het:
is
God weer kennen
zouden.
Nu
ten
eens zaliglijk en volkomenlijk, als we kennen zullen gelijk
Van
zijn.
aangezichte tot aangezichte. In eeuwige, nooit
eindigende genieting.
dan
Vandaar
ook dat Art. 9 van onze Confessie zoo heerlijk betuigt,
dat wij de belijdenisse der heilige Drieëenheid,
maar toch
Heilige Schrifture,
kennen
eerst
uit
ja,
te
weten komen
uit de
de werkingen die we van
deze drie Personen in ons gevoelen.
Omdat
echter de zondige
mensch
dit niet toegaf,
er niet naar deed, is er toen toch poging
verborgenheid des Heeren Heeren
te
of wel toegaf,
maar
om
ook de
na poging gewaagd,
ontsluiten, en door allerlei geleerde
uiteenzetting te verklaren voor ons menschelijk begrip. Zelfs
zoo ver gegaan, dat allerlei
opiniën
hoogleeraar belijdt, die ligt,
is,
is
en
men van
gaan ontwikkelen, en dat dat
nog oordeelt dat
Toegekomen aan de
godgeleerden
dan
nog
al
men
hierin uit
er tol zelfs in Utrecht een
een man, die met ons den Heere Jezus
er in zulk een
„Leer aangaande God" kracht
en niet voelt, hoe hierin niets schuilt dan rationalistisch bederf.
van God daarom
die
lieverlee
is
een geheele Leer aangaande God
belijdenis
in onze
dagen
allerlei
door hen van de Duitsche
bedenke
hij
van het Eeuwige Wezen behoort een kind
uiterst voorzichtig te wezen.
als hij
van de Ethische
voorstellingen op dit stuk verneemt,
Vermittelungstheologen
wel, dat deze Duitsche
zijn
overgenomen,
Vermittelungstheologen hierbij
wijsgeerig spoor zijn geraakt, en bijna evenwijdig loopen
geheel
in
allerlei
vondsten eener ongeloovige philosophie.
Bij het
En
Eeuwige Wezen komt het
met
er toch voor alles op aan, dat ge niet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's