E voto Dordraceno - pagina 428
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND.
422
men
ouds her geweest, dat
XV. HOOFDSTUK
het
lijk
van een
VI.
dood gebrachte ten toon
ter
hing aan een hout.
Hem
boezemde
zijn
niet
meer aanraken.
lijk
in.
mocht de aarde
Zelfs dat lijk
Het nachtgedierte kon huilen om
aas aanvliegen.
zijn
nog afschuw
En daarom hing men het lijk dan aan een paal of Dan kon een ieder den gruwelijke zien. De gieren konden
hout of rek op. op
was niet genoeg,
steenigen, te dooden, zijn leven uit te roeien
te
ook
gruwzaam
zijn
overschot
men
deed
Zoo
ook wel
had,
was, mocht dit
een
zulk
een mensch, die een vreeselijken gruwel bedreven
bij
Doch
Israël.
bij
wijl
het land den Heere gewijd en heilig
dag duren. Vóór den avond moest
Israël slechts één
bij
verafschuwd
en
veracht
in
lijk
den grond weggestopt, want,
„Voorts wanneer in iemand eene zonde zal
zegt de Schrift:
oordeel des doods waardig
dat
is,
gedood
hij
zal
die het
zijn,
worden, en
hem aan
gij
het hout zult opgehangen hebben; zoo zal zijn dood lichaam aan het hout
maar
overnachten,
niet
want een opgehangene
is
Gode een
een opgehangene,
d.
vloek. Alzoo zult
uw God,
ontreinigen, dat u de Heere,
Zulk
dage begraven;
zult het zekerlijk ten zelven
gij
i.
gij
uw
land niet ver-
XXI
ten erve geeft." (Deut.
iemand wiens gedood lichaam
:
23
v. v.)
schande
te
aan een paal was opgehangen, was voor den Heere een vloek en verontreinigde zijn erve.
Vandaar dat
bij
dan ook geen dood der kruisiging bestond. Die
Israël
in Israël gebracht door de
werd
en
bitter;
nu
toen
Romeinen. Maar de Jood haat
fanatieke
het
;
hij
haat
gepeupel van Jeruzalem lucht wilde
geven aan zijn gruwen tegen Jezus, toen riep het niet maar: „Dood hem,
hem!",
dood
begeeren
duivelsch
verworpeling
om
aan het hout
te
Jezus
als
een
zien hangen.
vloek
en een
Eerst als
hij
daar hing „als dorst naar
vertrapping en krenking van dien Rabbi van Nazareth voldaan
En
zoo
is
gehangen! te
het dan geschied, dat ook Immanuëls
Dat de
hangen, gelukt
maar wat Jezus
toeleg, is.
Iets
om hem
als
in
zijn.
aan het hout heeft
een vloek aan het hout ten toon
wat een Romein
niet zoo zou gevoeld
hebben
diep en zeer diep moest voelen. Hij was uit Israël. Hij
kende de sprake Gods in Deut. XXI.
hem
lijk
er een
afgrijslijken
God vervloekte" zou hun wrok en wraakzucht, hun
van
een
aan,
Het had
„Kruis hem! kruis hem!".
maar:
neen,
o.
Toen het „Kruis hem,
kruis
hem !"
de ooren klonk, drong de beving voor dien vloek door heel zijn
wezen. Dat vloekhout kon hij dan ook niet torsen. Hij bezweek eronder.
Maar
toen het opgesteld was,
is
hij
er aan gehangen.
En
toen hing
hij
daar als een gevloekte van God! „Als
een
van
God
gevloekte!" leg daar nadruk op.
Want nogmaals
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's