E voto Dordraceno - pagina 125
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. VII. HOOFDSTUK
maar
drie,
wat we
stukken behandelen, en in dit eerste stuk spreken van
in vier
liefst betitelen
Immers
119
I.
als
de goddelijke schifting.
Vraag 19 gaan
tot op
Arminianen met ons mede, maar
alle
aan Vraag 20 toegekomen, nemen ze afscheid van ons,
hun
paden
eigen
en wij
;
op onze beurt moeten hen
den scheidsbrief uitreiken, want door
maar
voetstappen op hun doolpad
tien
van den weg der waarheid
dit
bij
mee
dom
schiep
gezonken
onredbaar
geslacht
verscheen
God kon
zelf
die
kruispunt van den weg ook
we zelveu
gaan, raakten
te
dat
God de Heere
het mensch-
één geslacht; dat door den stamvader van dit geslacht
als
menschdom zonde en
heel dit
af te dolen op
deze Vraag wel
af.
Tot dusverre was beleden en geleerd,
in
bij
om
verderf was gevaren
was,
mensch
er een
tenzij
dat dit onder
;
doem
Middelaar
als
en dat nu werkelijk zulk een wondere
zijn;
Middelaar in Jezus Christus was verschenen. Hierop
nu
heeft de Arminiaan op zichzelf niet tegen.
Adam
de samenhang van onze schuld met de schuld van
dan
wij
maar
;
zin erkent ook hij
delaar van noode hebben, geeft majesteit
kunnen
moge
over
anders denken
ook het wezen van het bederf der zonde anders opvatten
en
meer opper vlakkigen
in
Hij
in zich
ook
hij
toe,
toch, dat
moet dragen, om het werk der verlossing
brengen;
en belijdt ook
met
hij
we een Mid-
dat deze Middelaar goddelijke
ons, dat in onzen
stand te
tot
Heere Jezus
Christus metterdaad zulk een genoegzaam Middelaar verscheen.
Doch, en ziehier nu
zijn fout,
dan, zoo roept
hij
ons toe, moet die Jezus
ook een Middelaar voor alle menschen willen wezen. „Gij
leert
zoo
zelf,"
voert
hij
Adam
ons dan tegen, „dat
de wrange
vrucht zijner zonde geteeld heeft voor allen, die tot zijn geslacht behoorden, zoo moet ge dan ook toestemmen, dat evenzoo de tweede gave,
geurige
rijpe,
vrucht
van
zijn
Adam
de
verzoeningswerk evenzoo voor alle
menschen droeg." van heel ons geslacht
„Is het een zaak
bij
het inkomen der zonde, dan,"
zoo beweert de Arminiaan, „moet het ook een zaak van heel ons geslacht zijn
bij
het uitsnijden van de zonde."
„Zooals
het met de zonde staat, zóó ook moet het
met de
verlossing
van zonde toegaan!" „Getuigt,"
met
zelf
gestorven
dit
ja,
besluit
men dan
gewoonlijk, „getuigt niet de Apostel
zoovele woorden, dat, indien door de misdaad van éénen velen zijn,
Christus, veel
En
zoo
dat
de gave der genade, die daar
meer overvloedig is
is
is
van éénen mensch Jezus
geweest over velen?"
ook zoo; ddt zegt Paulus in
Rom.
V
:
15.
Maar
als
ge
zeggen van Paulus even indenkt, zult ge aanstonds gevoelen, dat de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's