E voto Dordraceno - pagina 109
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. VI. HUÜFDSTÜK dieper
onze menschelijke natuur aan zich dragende,
hoewel
ingedragen,
103
I.
desalniettemin van de zonde onzer menschelijke natuur persoonlijk geheel
afgescheiden
Want
zij.
een
zulk
hoogepriester
betaamde
ons
heilig,
:
onbesmet en afgescheiden van de zondaren!
En nu komt dan zamen,
waarachtig
ook
tegelijk
tweede
het
moeten.
heilige
God
moet
Hij
En waarom
zijn.
dit
tevens, te
nu? Wat
is
de ordinantie, de schikkinge in den wil en de deugden van het Eeuwige
Wezen, waaruit ook deze noodzakelijkheid rechtstreeks voortvloeit? Ter
rispelijke
deze
wijst de
vraag
op tweeërlei: ten eerste, dat
juistheid
En
schepsel eindig.
om
van
beantwoording
Catechismus met onbe-
God oneindig
en
is
alle
ten tweede, dat het alleen aan den Schepper toekomt
leven en gerechtigheid aan het schepsel toe te bedeelen.
Wie des
acht dat ook een bloot mensch,
Gods wel
toorns
zoo
Gewisselijk,
dan en
kon
want
dit,
;
kon,
i.
een eindige natuur, den last
rekent buiten Gods oneindigheid,
Heere onze God eindig ware,
de
eindig in duur
dragen
d.
dan zou ook er
gelijk wij
zijn toorn eindig zijn;
ware dragen aan
;
zoo
zou
komen,
een
Oneindig God ook
zoo
alle
mate
uit.
dacht tot een ontgoden van den levenden
God
moet wel beleden, dat van
zulks onbestaanbaar, en
is
eindig in
o,
zijn,
en hoe diep die toorn ons ook
neerwierp, eens ware de straffe van dezen toorn toch
Maar omdat wie
eindig
werkingen en krachten oneindig
zijn,
en dat
derhalve én in maat én in duur ook zijn toorn dit oneindig karakter aan zich draagt.
En dus
hier
nu
eindig tegenoverstaande, zou een bloot menschelijk Verlosser
nooit verlossen kunnen.
Want neem van
duizenden
van
nog
drukken toorn altoos even groot.
uit te
jaren
een oneindigen toorn tien-
eiken dag tienduizend deelen
Vandaar, dat de rampzaligheid wel eeuwig én wezen,
en
dat dus ook de te
moet kunnen beschikken.
in
af,
en toch
maat én
in
blijft
de
duur moet
komen Middelaar over oneindige krachten
Anders
verslindt
hij
dien
oneindigen
toorn
nooit.
Al moet dus dezelfde menschelijke natuur, zijn,
waarmee deze
grijpende hand toorn wegneemt, er achter
is
last des toorns
ze niet.
komt
komt en
En
wordt aangegrepen, meer dan die aan-
niet uit haar,
maar
er in gaat werken.
uit
de kracht der Godheid die
„Uit kracht van deze Godheid den
toorn Gods aan zijn menschheid dragen,"
de tweede reden.
hand
de eigenlijke kracht, waardoor die hand den
king, waarin de Catechismus dit heilige
En nu
die gezondigd heeft, de
is
dan ook de keurige uitdruk-
moeten
zuiverlijk belijdt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's