E voto Dordraceno - pagina 342
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLV. HOOFDSTUK
ZOND.
344
IV.
En omgekeerd zijn er raven tot God roepen",
het uitspansel yerkondigt zijner handen werk."
en
oogenblikken, dat „het land treurt", „en de jonge
Maar
en het vee zucht en „het hert schreeuwt naar de waterstroomen." in
deze
al
van het creatuur ontbreekt het bewustzijn. Het
levensuiting
God
land weet niet dat het treurt, het vee weet niet dat het naar
God
de jonge raven als ze roepen weten van
versmaadt
ze
schepsel, en
God
voor
als
is,
onverschillig, en dus voor zijn majesteit
Gods
tellende? Stellig niet, Integendeel, de hemelen vertellen
meê
niet
af.
onbewuste klagen en roepen van het land of van het
dit
dat er op
vee,
niet
roem van het onbewuste
Heilige Schrift al dezen lof en
de
zucht,
Verwerpt nu daarom
handen werk, dag aan^dag
eer en het uitspansel zijner
maar de
stort overvloediglijk
en nacht aan nacht vertoont wetenschap. Dit
sprake uit
Schrift
met ingenomenheid
er
wijst
is
niet
en wil dat
op,
maar
zoo,
er op
wij
zullen letten.
In onze Psalmberijming
is
van den achtsten psalm dan
in het slotvers
ook zeer ten onrechte de uitroep: „Hoe heerlijk
weergegeven in de woorden
aarde",
mond
naam
die groote
door
't
„Hoe
:
uw naam
is
op de gansche
vromen
heerlijk rolt uit aller
gansche wereldrond." Al
is
het toch zoo,
dat thans in alle werelddeelen en schier onder alle natiën, hier en daar
vrome
aanbidders
huns Gods het
toen
vromen
mond aan
in
niet
bij
Psalm
den
meer
gekend,
dan ook
des Heeren heerlijk
op
gansche
de
sprake,
„Gods
wat
God en
is
onzienlijke
in
ons
voor
zijn
sleclits
moogt het dus ook zijn
zou
opkomen. Maar
Psalm
is,
zijn
er staat
staat twee malen,
naam
alleen dit, dat „de
des
God wiens
majesteit ook gesteld heeft
dus niet van de vromen maar van de natuur
geen andere, dan wat Paulus in Rom. dingen
van
1
:
20
zegt,
het begin der schepping af uit zijn
de gansche schepping leeft of bestaat, majesteit.
drachtelijken zin voor
voor
slot,
zou ruischen, kon in
doorzien worden, beide zijn eeuwige kracht en goddelijkheid."
schepselen
Al
is
Buiten
van menschen of engelen, maar van heel de schepping. En
niet
de zin en beteekenis dat
lof
zelfs niet
niets van. In dien
aarde heerlijk
„boven de hemelen." Er
lof
was de naam des
op de gansche aarde", en dat diezelfde
is
den
de gedachte, alsof destijds uit der
en
een zijner tijdgenooten, zelf
om
dit volstrekt niet zoo.
oorden der aarde Gods
alle
den aanvang en dan aan het
eerst in
naam
Davids dagen was
Palestina, en even over zijn grenzen,
Heeren
David, noch
die zich vereenigen
aangetroffen,
te bezingen, in
kleine
zeer
worden
om
ons
in
God
zelf,
zooverre
Niet
is
er en bestaat voor
eerst voor ons, en dan
maar voor God als Hij
allereerst,
nog
iu over-
allermeest, en
het voor ons verordend heeft.
Ge
niet zóó opvatten, alsof die sprake der natuur er alleen
op
God
te
wijzen en te
stemmen
tot zijn lof;
want
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's