E voto Dordraceno - pagina 260
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLIVa. hoofdstuk
262 geen
er
maar ook geen
zonde,
Maar waar we tegen opkomen het
ingevolge
heeft
tegen de voorstelling, alsof de wil alleen
onzer rede in ons tot stand komt,
oordeel
maar ook deze vrucht komt op leven
zijne
eenen wortel.
uit
bodem en
vertakkingen tot diep in dien
fijne
de vrucht;
is
Immers ook ons
achtergrond van ons wezen, die de Schrift y,ome wierew" noemt
Ook de
eens tot diep in ons verleden.
vermogen,
organisch
kunnen.
heilig zedelijk leven in ons zijn
is
en ook niet in zijn u-ortel bestond. Een wilsbepaling, die
vrttcht,
in zijn
I.
dat
De
natuur beheerscht wordt.
onze
geheel
wil staat
wil
in
dien
en even-
geen mechanisch, maar een
is
natuur
dus
;
wils-
doordringt
niet,
en door onze
een vreemde macht,
als
tegen de begeerte over, maar heeft in de begeerte zelve haar wortelvezelen.
Die begeerte zelve behoort reeds tot het wilsleven, en poogt de vrucht in de wilsbepaling
wel te onderscheiden) in ons kunnen voelen opkomen, of
begeerten
(van
ook
droomen door onheilige gedachten kunnen gekweld worden,
onze
in
Vandaar dat we evenzoo onheilige gedachten
drijven.
uit te
die evenzoo onze consciëntie bezoedelen. Dit
afhankelijk
ook
ons
het
van
bewustzijn
begrippen uit
is
is,
komt daar vandaan, dat de
onze
rede,
en er door geregeerd wordt.
niet
enkel
de
En
en
alzoo
én
wil
nu
saamvatting van onze heldere, klare
maar ook dat bewustzijn een diepen ondergrond
opkomt,
wijl
heeft, waar-
de wil én het bewustzijn, in zeer sterke
mate door onze natuur bepaald worden, zoo
ligt
het voor de hand, dat uit
de onreine natuur én onreine gedachten of voorstellingen in het bewust-
én onheilige neigingen of begeerten in ons wilsleven opkomen. Zoo
zijn,
we
worden
nu ook
in
dus
en er alzoo én
lusten
altoos
weer naar
ome natuur
teruggeleid, en overmits
den wedergeborene de onheilige en bedorven natuur nog nawerkt, in
den wedergeborene nog én onheilige gedachten, én onreine
zondige
kunnen opkomen,
begeerten
gaat het niet aan wat zondig
min om onszelven
vrij
is
ja, feitelijk
anders dan zonde
te spreken,
als rustte
te
op ons geen de minste aan-
sprakelijkheid voor wat toch uit onze eigen natuur, uit ons
en
ons eigen binnenste opkwam. Onze toestand
uit
dat
we
zonde
oprijzen, zoo
noemen; en even-
is
eigen wezen,
nu eenmaal zoodanig,
ook na onze wedergeboorte, nog de onzalige fontein, waaruit de
als
opwellend water ontspringt, in ons omdragen
;
en voor dien
toe-
stand, evenals voor de gevolgen van dien toestand in onze unhhepalingen
en levensiiiiingeti blijven we verantwoordelijk tegenover den Heere onzen God. Prijselijk
is
het dus, dat
Rome
tusschen het opritselen der zonde uit
onze onreine natuur, en het inwilligen er van onderscheidt. Dit onderscheid
moet gemaakt worden. Het inwilligen van een onheihge begeerte, ook
nog slechts
in de
binnenkamer van ons
hart,
is
zij
het
toch, ook al treedt
er niets van naar buiten, een tweede zonde, en een zonde
van veel erger
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's