E voto Dordraceno - pagina 351
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXIII. HOOFDSTUK IX.
Da
tegenover
waardelijk
„rechtvaardigspreking"
vooropgaan. Het
laten
weg en wordt
Zelfs
ons
rechtvaardig spreekt.
des
Middelaars
zijn.
Iets
zinloos, zoodra
mag men
zelf tocli der
men, op wat
nooit het offer van Christus
omdat Christus
niet
is
feit
anders rusten laat dan op het welbehagen en
iets
Raad Gods.
eeuwigen
den
Costa gelijk moet geven. Het
valt
manier dan ook, ze op
351
zijn
God
bracht, dat
offer
Maar de Middelaar wierd
besteld en het werk
opdat deze rechtvaardigspreking mogelijk zou
volbracht
wat het scherpst uitkomt
den
in
dien de aanhangers van
strijd,
Voetius met Coccejus en de zijnen gevoerd hebben over de rechtvaardig-
making van de geloovigen
Oude Verhond. Coccejus oordeelde dat
in het
geloovigen niet in gelijken zin als de geloovigen onder het Nieuwe
deze
Testament door het geloof rechtvaardig konden van
nog
Christus
geschonken
en
dan
werking;
volbracht was en dus ook nog niet kon worden
niet
toegerekend. bestaat
overmits de offerande
zijn,
En
een
er
ook volkomen waar voor de uit-
dit is
niet
te loochen
verschil.
Maar
niet voor
de zaak zelve. Beiden, de geloovigen des Ouden en des Nieuwen Testaments zijn
rechtvaardig,
van
eeuwig,
God
doordien
om
eerst
daarna
ze rechtvaardig sprak, en deze in
daad
is
hun
Christus' offerande en straks in
eigen toebrenging uitgewerkt te worden.
Dit
dan
is
vaardigmaking
ook
de
reden,
waarom het kind van God
in
de recht-
een „goddelooze" verschijnt, die tegen al Gods geboden
als
gezondigd heeft, er geen heeft gehouden en nog steeds tot alle boosheid geneigd
is."
Neemt men
gesproken te worden.
het toch anders, dan hoeft
Dan
is
hij
hij
niet rechtvaardig
het nu reeds ten deele, en krachtens de
volmaking der heiligen eens zeker geheel. Eechtvaardigspreking onderstelt dus dat degene die er het voorwerp van anders neemt, dat
ge
als
is
is
een goddelooze
er geen rechtvaardigmaking denkbaar.
kind
van
God
Heiligen Geestes bezit, dan
En
zij.
Zoo ge
al is
dit
het nu,
reeds gaven van leven en de inwoning des
blijft
ge toch ook zoo nog zeggen en belijden, wat
de Catechismus óp Vraag 60 antwoordt. Niet alsof ge daarmee nu Gods
werk loochenen, of op de manier der Neo-Kohlbrüggianen en der Arminianen elke wezenlijke verandering in den wedergeborene loochenen woudt,
omdat ge buiten
in
Christus in u zelven
En dat nu gaat uw vrijspraak van de
goede
werken
tot in
zijt
en
als
zoodanig midden in den dood
Gods vierschaar
door.
de wet volgt, dan gaat ge die gij
plaatsbekleedende
Want
vrij
uit,
ligt.
als in die vierschaar
niet op grond
van
na uw bekeering gedaan hebt, noch op grond
van de inwerking des Heiligen Geestes de
maar
de rechtvaardigmaking u zelven altoos te zien hebt, zooals ge
in
u,
maar
eeniglijk op
grond van
genoegdoening en wetsvolbrenging, die Christus in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's