E voto Dordraceno - pagina 249
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXII. HOOFDSTUK VIII.
249
twee eigenaardige bestanddeelen van ons menschelijk wezen
maar door een
in een vloeien,
onze schepping deze twee bestanddeelen door Goddelijk Alver-
2. dat in
mogen
zijn
saamgevoegd;
weer losmaakt;
4.
zonde deze saamvoeging
3". dat de
zijn
hereenigd wordt; en
zijn ziel
terug erlangt, niet in de gestalte van het die,
wederkomst des
6.
dat
hij
, lichaam
lichaam
zijn eigen
maar
der zonde",
in
van de inwerking der zonde vrijgemaakt, past en voegt
bij
den staat van heerlijkheid waartoe
is
en in „Jezus
1.
den dood
eigen lichaam terug erlangt, hetwelk alsdan weer door Gods
Almacht met
een gestalte
in
dat na deze losmaking de persoon een tijdlang alleen
in zijn ziel bestaat en het lichaam derft; 5. dat hij bij de
Heeren
die niet
zijn,
vaste grens van elkander gescheiden zijn;
hij
Dat voor wie verkoren
ingaat.
Terwijl omgekeerd de verlorene in
sterft."
hun
sterven
van hun lichaam een tijdlang alleen in hun
in afgescheidenheid
bestaan en aanvankelijk rampzalig zijn; 2.
bij
ziel
de wederkomst des Heeren
met hun eigen lichaam vereenigd
zullen worden; en 3. dat het lichaam
waarmee de verlorenen hereenigd
zullen worden, niet zal zijn de lichaams-
waarin
gestalte
lichaamsgestalte,
jammer geheel komt
Alles
waarin
het
schriklijk
talen
Nu
weet
voorstellen.
men
uit de heidensche over-
van gedaantewisseling vervuld
met name de „gedaanteverwisselingen" van Ovidius,
overgezet,
kan
andere gestalte kan aannemen, of korter gezegd op de
levering, hoe heel de heugenis der oudheid
was, en hoe
in eindeloozen
hier dus aan op de vraag, hoe een lichaam hetzelfde
Is er gedaanteverivisseling ?
:
wezen der zonde
doorwerkt.
blijven en toch een
vraag
nog door genade (jetemperd wierd, maar een
zonde
de
ons
Grondtrek
heugenis
deze
toch
van
er gedaanteverwisseling zou zijn
deze heidensche overlevering
is,
dat
van het ééne soort wezen in de gedaante
van het andere soort wezen. Alsof een zwaan, een vrouw een
al
alle
in
der oudheid in allerlei misvorming
b.
v.
een vogel een visch, een mensch
boom kon worden. Kortom
wezenssoorten niet volstrekt ware,
alsof de
grens der
en het ééne wezen in het andere kon
overgaan. Dit nu echter bedoelt de Heilige Schrift volstrekt niet. Duidelijk
toch
de heilige apostel van de opstanding van een
verklaart
van een tarwekorrel: „God geeft hetzelve een lichaam aan een
iegelijk
van soort
zaad zijn eujen lichaam." Er
in soort.
nooit een engel.
Een aap wordt
Wie
als
eigen
Mem
ivezen
en
lot,
of
maar
dus niet bedoelt een overgang
nooit een mensch, en een
mensch geschapen
wierd, blijft
God de Heere aan één
mensch wordt
mensch
eeuwiglijk.
zelfde
wezen de moge-
van onderscheiden bestaansvormen, maar
die alle bij zijn
Alleen dit heeft plaats, dat lijkheid inschiep
is
mensch
gelijk Hij wil,
hooren. óf in
Het ééne graan kan bestaan
den vorm van halm en
aire
;
en
óf in den al lijken
vorm van
nu een halm
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's