E voto Dordraceno - pagina 501
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLIX. HOOFDSTUK
ZOND.
nig mij van de verborgene afdwalingen."
daarom steeds bevelen wil,
een
zelfs
is
Een oprecht kind van God zal „Geef mij den weg uwer
met Psalm CXIX:
bidden,
God wel
verstaan."
te
503
III.
der
kennen, en te weten wat
te
geduriglijk geplaatst ziet.
Iets waarbij dan door velen
maar
al te dikwijls
op den tweesprong staan, wel op dat oogenblik ernstiglijk bidden of
moge ontdekken, maar zonder dat
wil
zijn
genoeg op
Woord hadden
zijn
dringen, zoodat
gelet,
om
God
hun vroeger leven
ze in
in zijn wil in te leven en in te
het aan zichzelven te wijten hebben, indien ze in zoo
zij
verlegen staan, niet wetende wat
oogenblik
hachelijk
hen
de
fout wordt begaan, dat ze in een oogenblik van spanning, als ze
groote
hun
ons
Gods kind zich
worstelingen, waarvoor
pijnlijkste
God van
God de Heere van
eischt.
Maar, ook afgezien van deze onbekendheid met Gods andere
we zeer wel
waarin
gevallen,
wil, zijn er tallooze
wat de wil des Heeren
inzien,
en dat toch onze eigen wil tegen zijn heiligen wil overstaat. Dit
van
oogenblikken
de
nu komt het
vallen
uw God
verzaken
en innerlijke worsteling, en in
strijd
er op aan, dat ge
zult.
Verzaken
uw
nu
al zulke
toch geen tegenspreken
zult, niet wijl
aanstonds opgeeft. Dat toch ware het zwichten van den
van het kind.
terecht
bij
En daarom
slaaf,
tegen
uw God
zelf,
en
het zwijgen op zult leggen,
blijven overstaan,
te
maar
we zoo zeggen mogen,
als
om
stellig
tot in
maar
en niet de
voegt de Catechismus er zoo
zonder eenig tegenspreken. Dit toch bedoelt
:
uw morrende stem
ge-
eigen wil voor den wil van
baat, en ge dus het verstandigst doet, zoo ge den ongelijken strijd
eenswillendheid
is,
zijn
den
niet,
dat ge,
inmiddels in
evenzeer dat in
ja,
uw hart uw hart
van uw hart, de
ivortel
tegenstand moge overwonnen worden, opdat de eenswillendheid de overhand
moge
verkrijgen.
En
dit
nu
is
een zeer diepe zaak, juist omdat de wil die
in ons opkomt, niet een wil is die in de lucht hangt, niet een invallende of
wil
grillige
is,
maar een
wil,
die zoo
en niet anders
en niet anders de gesteldheid van ons hart zielsbestaan saam.
De
is.
Onze
wil
is,
omdat aldus
hangt met ons
wortel en het vezelweefsel van den wortel van on-
zen wil liggen zoo diep in ons innerlijk wezen ingevlochten. in
u een
dan
is
wil op, die anders
een teeken, dat
dit
uw
is
dan Gods wil en tegen
innerlijk zielsbestaan niet
Komt
zijn
goed
er dus
wil ingaat, is,
en dat
uit dat verkeerde innerlijk bestaan de verkeerde wil zich opboog. Zijt ge
nu teeder voor uw God, dan bedroeft Gods
wil
alleen goed
uw
is,
dit u,
omdat ge weet en
en het dus een teeken van innerlijke ongezonddat wie< goed
heid
is,
God
afgaat. Bij zulk een droefheid der ziele naar
bede
dat
„Uw
belijdt, dat
wil zich richt op iets,
is,
en deswege van
God beduidt
uw
derhalve de
wil geschiede" volstrekt niet alleen: ,G_eef mij op dit oogenblik
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's