E voto Dordraceno - pagina 318
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
318
ZOND. XXIII. HOOFDSTUK IV.
maar
er op aarde ook een onbeschreven recht bestaat,
conscientie
mensch,
rechter
als
heet
zit,
waarover de publieke
rechtvaardig in
óok
zijn geslacht
de
onbeschreven recht eerbiedigt en het recht vaardiglij k in
die dit
zijn oordeelen toepast.
En
eindelijk dient
nog
In Israël had God gerlijk
en
duwing sonen.
van
de
God
Maar
Nu
verzoening.
niet
afgeschaduwd
er
waren er
in Israëls kerkelijk, bur-
in Israël tweeërlei soort per-
aan stoorden, die er tegen
die zich hier niet
vreesden,
en
afschaduwing van het goddelijk
deze
Deze worden genoemd
recht trotseerden.
van
heilstaat
zijn
nationaal leven, en daarbij de offeranden gevoegd als afscha-
Er waren menschen
ingingen.
Belials.
opzettelijk op Israël gewezen.
goddeloozen, dwazen, kinderen
:
waren ook personen onder Israël
deze afschaduwing
die
het recht eerbiedigden, er zich in het uitwendige stipt aan hielden,
vergeving
hun zonden
voor
noch
heilig
waren,
waren
in Christus,
om
ook
maar om
en in hun hart God gelijk gaven.
zochten,
om
Deze nu heeten rechtvaardigen. Niet te
kennen
uit te drukken, dat ze smetteloos te
geven dat ze gerechtvaardigd
uit te drukken,
dat ze in de bedeeling der
schaduwen, naar den aard dezer bedeeling, Gods recht eerden. Hier moet de prediking wel op gelet, en wel op gelet
bij
Verbond. Anders vervalt in het
des
Oud Verbond op
geloofs,
om
dit
gebruik van rechtvaardig
leer der rechtvaardig-
vervalscht.
deze
al
in de fout,
Oud
plaatsen te verklaren van de rechtvaardigheid
wat bezijden de waarheid gaat en de
making geheel
Met
men alle
de lezing van het
bij
we
hier
bedoeld als rechtstreeks voor
God
overige beteekenissen van rechtvaardig hebben
echter niets van doen.
Rechtvaardig in Vraag 59 en 60 rechtvaardig,
deze vraag
:
gelijk 1 .
is
er uitdrukkelijk bijstaat;
en in dien zin nu beduidt
dat ik onder Gods recht sta, 2. dat ik van schending van
Gods recht ben aangeklaagd; overtreder
van
5". dat ik
nochtans door
dit recht
3.
dat
ik
in
mijn conscientie mij
weet; 4. dat God mij zijn
als
oordeel niet veroordeeld,
om
sloot,
maar doordien
Hij een
een
maar vrijgesproken
word, en nu uitga als een rechtvaardige, niet doordien
mijn rechtschending
als
Rechter oordeelt en
weg
God de oogen
voor
ontsloot in Christus,
een doemschuldige in zich zelf toch rechtvaardig in den Middelaar te
doen
zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's