E voto Dordraceno - pagina 182
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXIb. HOOFDSTUK IV.
182 ons, die
uit
Gelijk het wichtje dat uit den moederschoot
het geloof opkomt.
geboren wordt, nog eer het voor de eerste maal de moederborst genieten
gaat
met
begint
niet
zal,
het
deze
in
maar
der Genade zuigen;
weedom
en
pijn
om
zijner verlorenheid
En
weenen, zoo ook
om
lach
de lippen aan de volle borsten
schreeuwt het
eer het zoover komt, schreit en
en kermt in het overstelpend gevoel
harten,
des
ontferming naar
nu met
ge
rekent
bitterlijk te
verwekking ten leven. Straks zal ook het
geestelijke
kind van God met hemelschen
van
maar met
lachen,
te
machtig
dit
zijn
God. ook
feit
de Uitverkiezing, dan
bij
God den blankwitten
volgt hieruit, dat een kind van
lichtstraal der
Eeuwige
genade nooit anders opvangt dan door hef prisma van den val heen. Wel
kan
het
dat
zijn,
hij
daarvan vroeger op de catechisatie, op de hoogeschool studeerde,
lectuur, of ook, zoo hij
bij
verband
het
over
onderzoekingen,
werk des Geestes nog
minst
in het
theologische
van de verkiezing met de bekeering,
betoog en tegenbetoog vernam, maar in
allerlei
de kerk of
in
bij
niet.
betoogen schuilt het
al dit
Lezen over storm op
zee, is
nog
zoo heel iets anders dan midden in den orkaan op de hooge zeeën her en
worden.
geslingerd
derwaarts
nu worden feitelijk
voor
realiteit
van
hem
komt het aan hem
nu
elementen, waarvan
vreeslijke
die
Eerst
nu, waarop voor het eerst
die dusver
nen en donderen gaan, op
dit
hij
dit
met de
zielsoog
geen
lijn
van
las,
onzaglijke
ontzettend oogenblik
hem dreuvoor hem geen
doodsche batterijen voor
aangrijpend oogenblik
is
er
inzicht in genade dan door de donkere wolken van het zwerk, zijn
Eerst
vroeger wel eens
hij
ontbonden. Eerst thans maakt
Gods mogendheden kennis. En op
toe.
dan
Uitverkiezing
ervoor
is
door zijn eigen val en
verlorenheid heen.
Een kind van God klimt
niet eerst in het
God en
zien hoe deze heilige dingen in
om nu af in
te
voorts uit dat dalen. Xeen,
Eeuwige Wezen, over den
maar
hij
genade,
maar
duisterd
door
beneden. Diep,
ligt
de diepte van den afgrond.
staart en tuurt hij
Eewige Wezen
En
val heen, in al
om
zich zelven
dieper zinkt
hij
heerlijk der
ziel.
Gelijk de eerste roering in de wateren het slijk en drab van den
doet opkomen, zoo zijn
alle
gemoed
is
het ook in zijn
komen,
die
tot
wateren daarbinnen worden
Zoo
ziet hij
ver-
aanklacht van het eigen hart, door .eigen schaldbesef
de
en eigen verbrijzeling der
in
weg
Eeuwige
Eeuwige genade omfloerst en omwerkt en
die
in te
uit dien ruischenden kuil zonder water
nu opwaarts naar het schoon en
vindt
op,
voor zijn heilig aangezicht liggen
door
zijn
bodem
binnenste. Er kan geen diepe roering
op den
bodem
zijner ziel
doorgaat, of
troebel.
zondig bevinden van het oogenblik terug in heel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's