E voto Dordraceno - pagina 181
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXIb. HOOFDSTUK IV.
bestaan schokt en loswrikt. Er gebeurt
inwendig
uit
daargelaten nu de vraag (die thans rusten kan) of aan deze losbar-
hun
in
sting
binnenste niet reeds een vroegere genadedaad voorafging,
zooveel staat vast, dat ze in
vreemdst
genade
is,
hun
in
uitgalmen
hun binnenste
zielsbesef inkomt,
dank en
in
De
voor hun God.
en
prijs
gaan ze
want
verslagen
Zoo
niet jubelen en niet
Gods
is
dan wel een
en
offer dat
merkt
is
Gode gebracht
Schrift, zoo getuigt het de wolke der getuigen
sekten,
die
En
eerst latere
zondigden door oppervlakkigheid, plaveiden weer een breeder
weg, waarop de heraut uitging
maar
in
„Nu,
wij
Jezus
De
Dit kan niet.
om
te
roepen:
te
„Kom!
Al wat ge
doen
te
gelooven!"; en dat de menigte dan toeliepen
te
willen gelooven
dusgenaamd bekeerden
!"
om
terstond daarop de menigte dezer
doen losbarsten in aanbidding en
verbrijzeling moet vooropgaan,
lof.
omdat de genade
tot ons
zondaren komt.
als
Niet
verbrijzeling een conditie voor geloof zou wezen, zekere
alsof de
daad des menschen
hem
in
maar
pijn, geen vreugde.
eeuwen. Zoo onderwees de kerk van Christus het.
:
gevoelen
ge op dat oogenblik zelf
eerste zielsbesef in het eeuwige leven
leert het de Heilige
is
te
„een verbroken hart en een
zijn juist
uit alle
uitriep
het
ze bitterlijk te weenen, in
en zich beklemd en beangst
te vallen
maar dat weet
geest;"
Uw
niet.
roemen en
eerste geloofswerking is niet prijs en aanbidding,
offeranden
de
niet
maar beginnen
lof,
boetvaardigheid en verbrijzeling. Het wordt,
En wat nu
ontzet worden.
op het eigen oogenblik, dat het eerste spoor van wezenlijke
bange verbrijzeling neer
hebt,
wat
Iets
de verborgen
hun binnenste opwerkt.
diepte van
nog
met hen.
iets
van buitenaf hun overkomt, maar
niet als een donderslag
En
181
die zijnerzijds
moest volbracht worden, eer het geloof
door kon breken. Niets er van. Alles
eene verbrijzeling buiten geloof Terwijl omgekeerd zulk eene zal spreken, nooit uit uzelf
is
is
en
blijft
Gods gave, en
een vleeschelijk berouw dat u niet nut.
„verbrijzeling," waarin „droefheid naar
kan
zijn,
maar
altoos door
genade
in
God"
u moet
gewerkt worden.
Er kan
uit
uzelf wel bittere spijt, wrevel over slechtheid, en
hartstochtelijke zelfontevredenheid
verslagen
Een
een
;
maar dat
niet,
die
is
doen moogt, oneindig
als
zelfs
daarom nog het
Gode behagen kunnen.
onderscheid, dat hieraan uitkomt, dat de geestelijke „droefheid
de wereld" wijkt iets
opkomen
en de verbrijzelde geest
hart
soms
naar
ge maar afleiding krijgt of eens een nuttig en edeler
terwijl de geestelijke
heimwee
en
niet
tot
„droefheid naar vertroosting
God"
kan komen,
schreit
met
tenzij
het
getroost worde door den Heiligen Geest.
Daarom
is
de verbrijzeling zelve reeds eene werking, een beweging in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's