E voto Dordraceno - pagina 292
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLIV5. hoofdstuk
294
De
fout van wie het anders voorstelt
II.
dat
is,
van de heiligheid Gods
hij
een veel te kleine gedachte heeft. Menschen, die zoo ingebeelde gedachte
van eigen heiligheid koesteren, nemen Gods te beperkt. Ze vatten en
veel alle
maar uw gebod
ding heb ik een einde gevonden,
de Joden deden, doen ook als zij er in zien,
zal al
wet
zien,
niet.
om
de
bestaat
oneindige
zij.
wet veel
heilige
klein en
te
verstaan niet, wat de Psalmist uitroept
Zij
is
de inhoud van die wet
van
geestelijke strekking
zijn.
Wat
zeer wijd."
perken Gods wet willekeurig
En daarom moeten
„In
:
Wat
Zooveel
af.
zij
niet in die
van Christus nog leeren,
ze
die Goddelijke
wet
te leeren
verstaan, die zich in lengte en breedte, in diepte en hoogte even ver uitstrekt als de uitstrekking
nu komt
ten
Ook
in soort één.
kunnen
overzien.
van ons menschelijk aanzijn
dan ditzelfde kwaad
niets zij
horizont daalt, houdt, zoo te
ben
Ik
vrij
van
En
zonde."
;
meenen
ze,
is
Gods verkleinen. Er
die de heiligheid
tot
aan dien om-
er.
Ik heb Gods
terwijl ze
nu
alzoo
maatstaf
aangelegd.
Maar
En
zich
ze
diepst
Want immers
zij
is
niet.
Alleen de aard-
het dan wonder, dat
van
Gods beste kinderen
zijn
steeds
hun eigen schuld overtuigd geweest, en hebben
steeds
niet.
juist
de paden der ootmoedigheid voor hun heihgsten
nu,
inbeelden er te zijn? Neen, die zoo spreken of roemen, zijn de
allerheihgsten
het
het
de heiligheid Gods die
bij
dat doen
sche maatstaf wordt door hen aangelegd.
wanen zij
een aardsche maatstaf, en er
is
een hemelsche maatstaf, en natuurlijk moet
hemelsche
te
ook de
nu
zij
aldus een hooger standpunt van heiligheid bereikt te hebben, zijn juist,
maar
„Ik ben
en omdat
zien,
trek voortschreden, roepen ze triomfantelijk uit volbracht.
Bij de Perfectionis-
meenen toch de grenzen van het gebied der wet
Waar hun
wet op. Ze wanen haar omtrek
wet
is.
sterker in graad,
uit. Iets
hoort,
spreekt
van zichzelf
Juist wie zichzelven het diepst voor
God bewandeld. Wie onder de
aller-
van den ergste der zondaren.
als
God wegwerpt, bracht het
in heiligen
zin het verst.
Romeinen zeven te
doen
blijft
voorkomen,
hier den doorslag geven, en elke poging
alsof
Paulus
in dit aangrijpend hoofdstuk
toestand vóór zijn bekeering sprake, zal steeds ijdel blijken.
om van
het zijn
Een onbekeerde
heeft „geen vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch." Geen
onbekeerde kan zeggen
En
ook,
:
„Ik zelf dien wel
geen onbekeerde kan betuigen,
met het gemoed de wet Gods."
als hij
viel:
„Zoo deed
ik
deze
zonde niet meer, maar de zonde die in mij woont." Of ook wat onbekeerde
zou kunnen roemen
;
„Ik dank God, door Christus Jezus, mijnen Heere." Al
het beweren alsof de Paulus, die zóó sprak, nog de Saulus ware, die den Christus haatte en vervolgde,
is
dan ook niets dan Schriftverdraaiing en Schrift-
vervalsching, en een vermetel pogen
om
tegen over de ootmoedige gestalte
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's