E voto Dordraceno - pagina 192
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLII. HOOFDSTUK
194 In
bestempelen.
te
meest volstrekten
zijn
II.
toch verstaat
zin
men
eigendom, dat zeker persoon over een bepaald goed zoo volkomen schikken heeft, dat
hij
er alleen alles over te zeggen heeft, en een ander
Waarin een eigenaar ook van derden afhankelijk
niets.
king over
zijn
verkiezend,
onder te be-
goed moet
vernietigen
En
vrijmachtig wezen.
hij
zou
kon,
zijn
in de beschik-
zij,
eerst als hij het, des-
gansch
eigendomsrecht
volstrekt
wezen. Gelijk de absolute eigenaar over een slaaf het recht van leven en
dood opeischte, zoo zou dan ook elk eigenaar het recht van leven en dood
moeten hebben over
een recht dat ten opzichte der dieren dan
elk goed;
ook metterdaad wordt uitgeoefend.
Ligt hierin nu het eigenlijk begrip van absoluten eigendom, dan volgt er terstond uit, dat
kan ontstaan.
eigendom
in dien volstrekten zin alleen door
Alleen datgene wat ik zelf in absoluten zin voortbreng,
Daarmee
de meest volstrekte beteekenis van het woord, mijn.
in
kan
doen wat ik
ik
maar door een
vrij
omdat
vooreerst niet
;
hem
heeft.
Uit dien hoofde
is
Hem, en Hem
ding naar zijn welbehagen.
stal,
en
moet dus
het
is
niet
De
als
Is toch
God van
onmiddellijk,
God
Hem
die
de Eigenaar van alle goed
een uitsluitend godsdienstige voorstelüng,
alle
dat
zijn
in
God denkbaar is,
elk begrip
van eigendom
absoluut karakter inboet.
ding eenig en absoluut Eigenaar, dan volgt hier-
geen
mensch,
ongeëvenaard
hoe
rijk hij
ook
zij
een eenig ding op aarde absoluut eigendomsrecht kan doen gelden.
Een Eothschild
of
Gould,
hoeveel
honderden millioenen schats ze ook
bezitten of bezaten, konden niet van een enkel stuk brood op
dat
alle ding,
diensvolgens
tegelijk een juridische stelUng, overmits, zoo het volstrekte begrip
onder menschen hiermee
uit
komt over
met
van God ontving of aan God ont-
dit
grondstelling, dat
beschouwd
van eigendom niet anders dan
over
alleen
de
geen volstrekt
dus altoos in afhankelijkheid van of in verzet, tegen,
het geschapen heeft. is,
hij
gelijk
alles schiep, doet
En niemand kan
dat bestaat, het volstrekte zeggenschap toe. eenig ding bezitten dan voorzoover
aannemen van een
nemen moet
er derhalve
eigendomsrecht denkbaar dan alleen in God. Hij die alle
die het voortbracht
alle
afhankelijk maakt, en ten tweede wijl ik het dan
Schepper het gemaakt
is
alleen
daarentegen eenig goed niet door mijzelven,
wil. Is
ander, voortgebracht, en mij door
gegeven, dan ben ik niet gift
schepping
ze er
mee doen konden wat
ze wilden.
Dat mochten
den, gelijk verreweg de meesten, tot zelfs de armste beeldt,
mensch
maar het
is
niet zoo. Zoolang
ooit iets bezitten kan,
ooit het allergeringste
dan
God
hun
aller
tafel zeggen,
ze zich inbeel-
mensch
zich dat in-
dingen Schepper
is,
en geen
dan wat God schiep, kan geen sterveling
in afhankelijkheid
van God bezitten. Dit geldt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's