E voto Dordraceno - pagina 207
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZONO. IX. HOOFDSTUK
201
III.
ontwikkeling der geschiedenis van de Schepping, de val niet het eerst op
aarde
maar
den
in
en
hemel,
straks
hemelen de woonstede waar God nakel
God
het voorbeeld, dat
naam
In den
al
Mozes
er
meer dan eens
de Heere Jezus in het hoogepriesterlijk gebed bidt Vader,
u zelven met de
bij
„Want
was", en straks:
maar naar
den hemel van getoond had.
uit
dan soms ook de hemel mee begrepen.
is
die
zijn,
Zelfs de Taber-
die hier thuis hoorden,
„wereld", dien de Heilige Schrift
verband bezigt,
voleind zal
al
zijn heiligen vergaart.
gebouwd naar afmetingen
niet
is
het
als
Zoo
b.
in dit als
v.
„Verheerlijk mij. Gij
:
u had, eer de wereld
heerlijkheid, die ik bij
vóór de grondlegging der
Gij hebt mij liefgehad
hiermee eigenlijk de gansche Schepping bedoeld.
Niet,
toen de hemel af was, en de aarde nog geschapen moest worden.
Maar
dan
wereld",
„met de
Wat
is
heerlijkheid die ik
wij
bij
U
had, eer er nog een schepping bestond."
noemen omvat „hemel" en „aarde", maar
het „heelal"
uitdrukking die de Heilige Schrift ganschelijk niet kent.
Moet
dit
een
is
alom-
vattend denkbeeld worden uitgedrukt, dan spreekt de Heilige Schrift alleen
van de Schepping Gods. Zoo heet:
zonder
„Het
Begin Zoo
meer.
b.
v.
Openbaring
in
Hl
:
24,
waar de Messias
der Scheiiping Gods". Ook wel van „het schepsel" b.
v.
in Openbaring
V
1
:
Doch
3.
treedt de Heilige
Schrift in geen onderscheiding, dan wordt het woord „wereld" als het alge-
meene woord
gebezigd
wat natuurlijk
niet geschiedt
genomen
;
en
daarmee
al het geschapene aangeduid.
waar deze wereld
maar wel waar de Heilige
als
Iets
reeds geschapen vfoidt
Schrift tot achter de Schepping terug-
gaat op die wondere „grondlegging" toen de fondamenten voor dit gansche
wonderbaar heelal door den sterken arm des Heeren
En
zoo
hoort,
zoo
nu
eerst
dikwijls
komt de Schepping voor ons wij
belijden te gelooven in
te
zijn vastgesteld.
staan gelijk het be-
God den Vader, den
Al-
machtige, Schepper des hemels en der aarde.
Dan tot
toch moet de blik der geloovigen zich in den tijd en in de ruimte
aan het uiterste einde uitbreiden.
God
de Heere schiep niet alleen deze kleine, nietige aarde, die in haar
kleinheid
reeds
en de aarde, onder
de
verzinkt
d.
i.
aarde
bij
het firmament,
„de dingen die boven in
de wateren zijn."
voor wat de ruimte aangaat, in ja den
zijn
maar Hij
zijn,
En waar nu
de blik des geloofs,
scheppingswerk ^Xioo ook den hemel,
hemel der hemelen omvat, daar moet de
in den tijd op
schiep den hemel
en die op de aarde en die
eenmaal van den aanvang
blik des
tot het einde
geloofs
nu ook
doorgaan, en door-
rekenen tot op het oogenblik dat eenmaal heel het verloop der geschiedenis, naar den Raad des Heeren,
zijn
einde eens zal bereikt hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's