E voto Dordraceno - pagina 423
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLVI. HOOFDSTUK in de Heilige is.
Zoo
van dat opheffen der
Schrift zoo telkens
Psalm CXLIII
in
8
:
gaan heb, want ik hef mijne
„Laat ons onze harten opheffen I
:
U
Tot
n
hef ik mijne
IJ.
ziel tot
tot
ziel op,
Maak
God
want
ik
weg dien Psalm
:
ik
41
XXV
aanspraakplaats zijner het daarom aanbe-
blijft
dezen onzen wandel in de hemelen te hebben, en te verkeeren in
volen
de Tente des Heeren.
Dan
is
het gebed het teederst, het
het warmst,
rijkst,
het meest bezield. Toch wordt toegegeven, dat dit niet altoos kan. Dikwijls ons hart door velerlei te geleid,
en
is
die
zeer gespannen, onze aandacht door
hooge inspanning der
ziel,
om
klimmen
alzoo op te
we dus
uit
de verte, tot onzen God die wel nabij
Vader in de hemelen
van onze
in
als
Dan bidden
we
dat
Hem
deze hoofdzaak blijven vaststaan, dat we
(t.
teekenis.
hetzij
we onze ziel
Aat
moet toch
opheffen, altoos
het ingaan in ons gebed den
bij
„Ik
stel
den
w. in mijn gebeden) geduriglijk voor mij." Eerst als onze
ziel
kwam,
hiertoe
die toch altoos onze
door het opheffen niet
uit,
Maar
uit.
Hem
handen naar
alleen onze
Heere ons hebben voor
Heere
maar
de oneindige hoogte boven ons, en wij strekken onze
handen biddend en smeekend naar hetzij
is,
dit nu drukt de Schrift
den God
tot
maar van onze handen naar den hooge. Dan denken we aan
ziel,
God
onzen
blijft,
en
is
allerlei te zeer af-
onzes levens en in zijn verborgen Tente in te gaan, ons onmogelijk.
dan
:
betrouw op U." Een gedachte die
Ook nu
of op velerlei andere wijze.
sTpiake
den morgen-
In Klaagliederen III
in den hemel." Of in
elders wordt uitgedrukt door het verschijnen voor de
heiligheid,
in
mij bekend den
U op.'"
God
ziel tot
„Doe mij uwe goedertierenheid
:
stond hooren, want ik betrouw op te
425
I.
En
te stellen, gelijk ons
heeft het al
is
David betuigde
noemen van onzen God
naam
zijn
bij
:
het dan, dat wij uit de verte tot onzen
ervaart toch de biddende ziel niet zelden, dat het
haar nederdaalt, dat ze betuigen mag:
„De Heere
is,
zin en be-
God
alsof
aan mijne
is
roepen,
God
tot
rechter-
hand, ik zal niet ivankelen."
Staat dit nu vast, dan ontstaat thans de vraag, met welken
God den Heere
in
den aanhef onzes gebeds hebben toe
allervolmaakste gebed
begint met de woorden:
hemelen
nu mee bedoeld, dat
zijt." Is hier
moet aanvangen ?
Stellig niet. Als
vertrouwelijken aanhef van
nen, dan zegt:
en
we
is
dit
leert,
het
juist
om
is
mogen doen; en
dat,
om
waar tot
wij
licht
Het
die in de
dien aanhef
zijt",
tehegia-
of onze Heiland tot ons
Maar
ik,
Getuige van den Vader, sta u dat toe." Stellig
het te veel gewaagd ware,
met
.,
wij
ons gebed met dien
„Onze Vader, die in de hemelen
een heerlijke vergunning. Het
„Gij, uit uzelven, zoudt dit niet durven.
uw
te spreken.
„Onze Vader gebed
elk
Jezus ons
naam
als
uw
ligt hier
ons zouden
Heiland
dus
in,
dat
inbeelden, alsof
den Heere onzen God met zoo vertrou-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's