E voto Dordraceno - pagina 358
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
358
XXIV. HOOFDSTUK
ZOND.
men
strijdige belangen, die
toch
Eenerzijds
werken
goede
tot
men
wil
de
het
in
verzoenen wilde hierdoor tot hun recht komen. vrije
Gods en de verdienste van
genade
handhaven, en toch ook anderzijds een prikkel
Middelaarswerk
Christus'
I.
verdienend
van
karakter
's
menschen
daad
blijven zoeken.
hebben
Dit
in
zij
Catechismus dan ook uitnemend
1562 en 1563, nadat
1547 het Concilie van Trente
in
deze wijs gesproken had, hunnerzijds de leer der rechtvaardigmaking
op in
opstellers van onzen
de
gevoeld, en toen
hun Catechismus wilden
om
zakelijkheid,
men
uiteenzetten, voelden ze terdege wel de nood-
tegen deze Trentsche voorstelling op te komen. Dit merkt
terstond aan de drie vragen die ze stellen.
Eome
toch had tegen ons
de bedenking ingebracht, dat de goede werken wel niet onze gerechtigheid voor God,
de
maar toch
goede werken
van waren
een sfuk er
verdienen, daar
tvel
God
;
had staande gehouden, dat
ze beloonen wil; en eindelijk,
dat onze leer tot goddeloosheid leidt, in zoover ze den mensch zorgeloos
maakt
en
voortleven in zijn zonde. Welnu, daartegenover stelt
doet
de Catechismus dit drietal vragen
God
niet de gerechtigheid voor
werken
goede
beloonen wil ?
die
niet,
En
:
„Waarom kunnen
onze goede werken
of een stuk derzelve zijn ? Verdienen onze
God nochtans
eindelijk,
nu
maakt deze
in
dit
en
volgend leven
in het
leen geen zorgelooze en goddelooze
menschen ?"
Wat nu
het eerste punt aangaat, zoo heeft
ooit geleerd, dat
zouden
zijn.
veroordeeld
Eome noch
te
Rome
bespraken
nog
loopeu),
steeds
en tegenover welke het steeds staande hield, dat de ver-
dienste van Christus' Middelaarswerk onze gerechtigheid voor
land
God
onze goede werken onze geheele gerechtigheid voor
Die dit leerden waren de Pelagianen, die door
zijn,
Trente noch
God
is.
Toch
onze Catechismusschryvers ook dit punt, omdat er ook in ons steeds
tal
van heele en halve Pelagianen rondliepen (en nog
wier dwaalleer evengoed weerstaan moest worden.
Tegen de Roomsche
leer
daarentegen trekt de Catechismus
te velde
met
de vraag, of onze goede werken niet een stuk van onze gerechtigheid voor
God
zijn.
Desaangaande namelijk hield Rome staande, dat
moest gemaakt tusschen tweeërlei opgelegd, delaar
t.
straf,
die ons
om
er onderscheid
onzer zonde wil was
w. tusschen de eeuwige en de tijdelijke straf; en dat de Mid-
nu wel voldaan had voor onze eeuwige
straf,
maar dat de
tijdelijke
straf
alsnog
hetzij
door boetedoeningen, en dat wel óf in ons leven op aarde, of na den
door
ons zelven moest gedragen worden, hetzij door lijden,
dood in het vagevuur. Een is.
stelsel,
waaruit geheel de aflaathandel ontsproten
Al noemt dus de Trentsche kerkvergadering
in
den Christen telkens een „gerechtvaardigde," toch
Canon is
XXXI en XXXTT
hij dit,
naar Rome's
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's