E voto Dordraceno - pagina 216
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXII. HOOFDSTUK
216
toe zich tegen Christus verhardt, niet onsterfelijk zou zijn
ten einde
ze
maar
om
personen
aan
zoodat ze ophield te bestaan. Deze leer
gedachte te ontkomen, dat zoo
ontzettende
eeuwen eeuwigheid der rampzaligheid
is
een
tal
van
zouden
ter prooi
voorts op de bitterste verwarring tusschen sterfelijkheid
berust
vernieti(jin(j
ook
de
aller
in
en
zijn,
en
worden,
vernietigd
poging
III.
Wat nu
van hedaan.
schriklijk en
vreeslijk,
het eerste aangaat, zoo
maar wat vermogen
wij
die gedachte
is
tegen het woord van
Christus, dat zoo stellig en beslist de eeuwigheid der hellestraf uitspreekt?
En wat
tweede
het
ophouden
maar
bestaan,
te
De
worden.
aangaat,
zoo
het duidelijk, dat sterven niet
is
men
terwijl
bestaat, in zijn existentie gekrenkt
van een onwedergeborene
ziel
dood en toch bestaat
is
wat de Schrift ons van den eeuwigen dood
al
ophouden
van
bestaan
Anders
had
kunnen
werpen.
ondenkbaar
ook
leert, leert
maar een voortbestaan
;
Christus
Immers
dan
ons
voor
zich
had
ook
niet
in
den
opgehouden
hij
is
voor
ter
zaligheid te openen. Hierbij
van
de
Evangelie
zal
leefde,
zijn
jongsten
snik iets
onbeslist;
maar
dit
is
eenige
op
voor de keuze: voor of
zij
zeker, dat
Dat
er,
niemand, met de
blijft
eindelijk
de
Cor.
XV:
zijn,
hij
ook
de één
zal verlaten worden."
laatste
dwaling aangaat, die van de
dwaling in het
we ons
spel,
om
28: „Opdat God
zij
eindelijl-e
niet lang op te houden.
aan de ontzettendheid van
men
alles in allen";
zich op uitspraof Joh.
XII: 32
zoo ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ik ze allen tot mij trek-
ken." wij
Schrift in de
voor ons ongemerkt, nog in den
het eeuwig verderf te ontkomen; en voorts beroept
„En
met de
de eeuwigheid in zonder Christus, dan
hierbij is dezelfde
1
de
met den zondaar gebeuren kan, ontkennen we daarom hij
aangenomen, en de ander
als
nimmer voor
er
wijze ka7i ontkomen, zoo hij tot den einde
volhardt.
zaliging aller zielen, ook hierbij hebben
ken
Of
den Christus eeuwiglijk. „Twee zullen op den akker
En wat Ook
vernamen.
kan staande houden, dat wie gedoopt was en onder het
ongeloof
maar gaat
zonder
door de zucht,
is
en die vele muloenen die
Evangelie
het
Christus, zullen geplaatst worden, blijve,
eenigermate
;
van
prediking
Schrift voor zich,
niet
bestaan, wat
nu onderscheide men wel tusschen hen,
nog een oogenblik komt, waarin ook
tegen den
in
eeuwigen dood te
de velen die onbekeerd wegsterven, nog na hun dood een weg
die onder het Evangelie geleefd hebben,
toe
ze nergens een
het stellen van de mogelijkheid ter bekeering
om
hand,
Bij
is.
De tweede dwaling
laatsten
ze.
in schriklijke verderving.
ook na dit leven. Een dwaalleer die insgelijks ingegeven
iets
is
Op
mogen
het eerste nu geldt hetzelfde antwoord, dat we straks gaven: niet barmhartiger zijn
dan de Heere
zelf in zijn
Woord En
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's