E voto Dordraceno - pagina 559
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. Lil. HOOFDSTUK als
Job het afsmeeken, dat ook
nu
dit
gebed op de leven
eigen
De
of
feitelijke
moge
heeft
hem
maar wie
staat het vast, dat elke
beweenen; dat eiken morgen en eiken avond
met zonde
God meerder
zijn
onze
dat al oordeelt ons onze consciëutie
bevlekt zijn;
dan ons hart en
is
dag
zelfs
dingen weet; en dat we des-
alle
óók hebben te bidden voor de verborgen afdwalingen, waarvan we
wege
ons zelven niet bewust
van
zijn.
En
toch, al staat dit ook vast, vast op grond
Woord en op grond van
het
eigen en anderer ervaring, toch
morgen weer de bede opgaan: Beicaar
eiken
we weten, en
dus
zoo,
toe
met zonde behept
en
bewuste en gewilde zonde voor zonde aan-
die alleen
weet beter. Voor
is,
te
beste werken niet,
ervaring, dat er dagen zonder zonde in zijn
zich inbeelden zondelooze dagen doorleefd te hebben,
dieper ingeleid
zonde
kinderen niet zondigen mogen. Steunt
het leven onzer kinderen voorkwamen ? Stellig neen.
in
oppervlakkige,
ziet,
zijn
561
II.
zelf
ons aan,
ellende van
En
om
we
dat
tot
De zaak
staat
aan onzen dood
—
en toch, desniettegenstaande,
•
steeds te bidden
:
drijft
Bewaar mij voor zonde, neem de
en zoo ook: Leid mij niet in verzoeking.
mij,
toch de bede eigenaardige
heel
vastelijk weten,
yoorsonrfe.
zullen blijven, het kruis zullen te dragen hebben,
komen moeten,
verzoeking
in
God
dat
my
blijft
Leid mij
:
strekking,
niet in verzoeking, heeft
nog een andere ge-
waarop niet genoeg kan worden
bijzonder karakter toch van de meeste verzoekingen
is,
gelet.
Het
dat ze altoos iets
dat ons aantrekt, boeit en toespreekt. Zonder die bekoring zouden
hebben
ze zelfs geen verzoekingen voor ons zijn. Krijgt een jong mensch, die dus-
ver
de
en eenvoudig leefde, een aanverwant of bloedverwant van losser
stil
leven
zich te gast, die
bij
stad
in
dien jongen
gaan en een vroolijken avond te hebben, dan
te
man
om meê
leiden
om met hem
na den maaltijd hem uitnoodigt,
dit voor
is
hem
een verzoeking. Zoo licht toch zal dat bezoek
te
gaan en meè
te
doen, en alzoo op paden te komen, die
dusver meed. Edoch, en hierop dient nu gelet, dit zou niet zoo
hij
indien er in zijn hart geen inwonende zonde ware, en de zucht,
de wereld eens te zien en de wereld eens in
delijk
toe
gekomen
bezoek.
Kan
hij
zijn
zijn,
Behoort
te
hem
niet welstaanshalve
En
onderwijl
de zonde in
hij
ja,
E VOTO DORDR. IV.
zóó dat
hij
ook
zijn
erniethcht
hij
Maar uu komt
gast
meê
te
dit
gaan?
dezen plicht der gastvrijheid over-
zijn hart,
schoone kans, een goede gelegenheid
gezocht heeft,
met
om
aan dien aandrang
hij
zulke gladde paden op te gaan.
nu
zijn,
genieten, niet herhaal-
zondig hart weerstand, en alleen zou
om hij
het laten?
weegt, prikkelt
een
meê
hem ware opgekomen. Dusver nu bood
en neiging van
ver-
en is,
fluistert
hem
in,
om, zonder dat
dat het nu
hij
het zelf
het eigenlijk niet laten kan, aan den ouden
36
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's