E voto Dordraceno - pagina 352
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
354
XLV. HOOFDSTUK
ZOND.
En
onze
onze
ervaring laat het geen oogenblik twijfelachtig, of ook in
eigen
omgeving vinden we de eene maal mannen en vrouwen,
eigen
maal broeders en
zeer groote en een ander geestelijke
het
receptiviteit
God de Heere
het duidelijk, dat
Het door Jezus geteekend
bezitten.
Heiligen Geest, het
van
zijn
verschil
van
met
zij
kinderen aanwezig
eerbied gezegd, gebonden
is.
is
het verleenen van zijn genade en van
bij
mate en aan dezen graad van toeêigeningsvermogen elk
die
zusters, die een zeer geringe
en honderdvoud gaat nog altoos door. Hieruit nu
zestig-
dertig-,
zijnen
V.
Abraham was
aan deze
is
of receptiviteit, die in
rijker in zijn hart be-
snaard dan Izaak. Eliza was veel armer dan Elia. Een apostel als Jacobus
maakt
een
Jezus'
schoot
anderen indruk dan Johannes. Een Johannes kan
geheel
een Jacobus of een
aanliggen,
Thomas
in
in dien hoogeren,
heiligen zin niet.
Zonder meer zou ons noodzakelijkheid
zijn is
gegrond in ieders aanleg
God
nog geen verklaring voor het gebed en
dit echter
Immers deze
geven. ;
zoo
men
verschillende ontvankelijkheid
wil in de geestelijke talenten, die
zelf in zijn scheppingsordinantiën ons toebedeelde.
mindere
ontvankelijkheid
ontving,
genade volkomen zalig kunnen
maken, dat
zal
zijn,
wel
lijkheid blijft een
Paulus
rijker
dien kleineren kring van
zal.
Ook
Nahum. Uit baarheid lijkheid,
dit verschil
we
rijker
dan
dan een
rijker
van ontvankelijkheid gaat ge dus nooit de onmis-
van het gebed gelijk
zelve
in het rijk der heer-
dan een Thomas, een Johannes
Thaddeüs, Maria dan Martha, en zoo ook een Jesaia
een
in dit opzicht
maar de Scheppingsordinantiën
dien kring niet overschrijden
hij
in
Wie
afleiden.
De
verschillende graden van ontvanke-
van ons
die dusver onderscheidden, zijn onafhankelijk
eigen willen en bedoelen; zijn geen gevolg van minder of meerder heldere
bewustheid eer
of
teerderer wilsneiging; ze vloeien eenvoudig voort uit wat,
we aanzijn hadden, over ons geheugd
onmisbaarheid
te
is.
Om
tot het gebed,
en
komen, moeten we derhalve op een tweede verschil
mate van ontvankelijkheid
letten, inzooverre die ontvankelijkheid
maal
maar ook de andere maal daar beneden
is
omdat ze felijke,
wat ze niet
omdat
zijn kan,
genoegzaam werkt. Ook hier nu wijzen we dit
de voorstelling zoo veelszins
<e
zijn
in de
de ééne blijft,
eerst op het stof-
hulp komt.
Op
hetzelfde
stuk land zal de regen de ééne maal vallen dat al het water onmiddellijk
wordt opgezogen, en een ander maal dat de vochtstroom er niet indringt,
maar
zijwaarts afvloeit.
Men kan
dit
én in den zomer én in den winter
waarnemen. Als vorst den grond hard en
stijf
heeft gemaakt, en er valt
op dien vastgevroren bodem regen, dan gaat het vocht er niet ook,
als
in
in.
En
zoo
den zomer langdurige hitte den bodem toe heeft geschroeid
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's