E voto Dordraceno - pagina 239
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXII. HOOFDSTUK
onvereenigbaar
Die
vloek
dat
„Woord
zin.
Maar
met de erkentenis van Gods
is
dus niet
is
239
weer
vanzelf heel
daarom springt het dan ook
in het oog, hoe, als die vloek zijner
kracht"
deze storingen doet ophouden, en het schoonste gedijen
al
schepping
zijn
liefde.
maar, nu werkende in verstorenden
weer in zegen omslaat, diezelfde God met datzelfde „Woord
van
Gods
wijsheid en
anders dan het „Woord zijner kracht," maar
iets
zijner kracht" zelf, alleen
juist
VIL
er voor in plaats stelt. Iets waaruit ge tevens
hoe èn deze vloek èn deze zegen, die te komen staat, heel deze Schep-
vat,
ping als in merg en been moet doortrekken, juist omdat èn die vloek èn
zegen
die
„Woord
het
in
„Woord
zijner kracht" schuilt, en dat
kracht" eigenlijk het merg van heel deze zichtbare schepping
is;
zijner
de kern
van haar wortel, waarop ze stoelt; de innerlijke levenski'acht die door
al
haar aderen en vezelen heentrekt.
Op wat wordt
de Heilige Schrift en het kerkelijk spraakgebruik de hel noemt,
hierdoor
eenmaal
vanzelf
Gods
in heel
noodige
het
licht
De zonde
geworpen.
zedelijke schepping een bretike geslagen.
Er
heeft zijn
nu
goede
engelen en goede menschen, maar ook kwade engelen en kwade menschen.
Van
kwade engelen zegt de
die
worden, op
ontzettende
eeuwig
mogelijkheid,
kwaad
het
in
dien
in
zullen
dat
er
duizenden
bij
duizenden voor
volharden. Naardien deze laatsten nu ook
van eeuwige verlorenheid menschen zullen
staat
ding
hij
tweezijdig
en een lichaam bestaat, zoo kan het niet anders, of ook deze
uit een ziel
komstig
en blijven,
zijn
en het wezen van een mensch ons eenmaal waarborgt, dat
moeten
verlorenen
kunnen
ook voor de kinderen der menschen wijst de Heilige Schrift
en
de
Schrift ons, dat ze nooit weer goed
leert
eenmaal
hun lichaam terug erlangen. Dienovereen-
dan ook de Heilige Schrift volstrekt niet alleen een opstan-
vromen, maar ook wel terdege een opstanding der verlorenen.
der
„Allen die in de graven
zijn,
zullen de stem van den
Zoon des menschen
hooren, en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding
des
levens, en
doemenis." was,
dat
leven,
zij
tot
gelijken zin als het reeds
in
de opstanding der verbij
Daniël geopenbaard
„die in de aarde slapen, zullen opstaan, deze ten eeuwigen
en genen tot versmaadheden en eeuwige afgrijzing." Dit kan ook
niet anders
en
kwade gedaan hebben
die het
Geheel
dat
;
tot
het volgt uit het
het
wezen
van
feit,
dat ook de verlorenen metischen blijven,
den
mensch
ook
een lichamelijk bestaan
behoort.
Doch moet,
d.
hieruit
w.
z.
volgt
een
dan alsmede, dat er ook wel terdege een
hel zijn
deel der zichtbare schepping, waarin de verlorenen
lichamelijk verkeeren zullen, en waar de vloek, die thans nog slechts even in de gedaante dezer schepping inzoog, alsdan geheel en
met
volle kracht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's