E voto Dordraceno - pagina 153
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. VIII. HOOFDSTUK
Wezen
een schijn-goA voor dat Eeuwige
doen
te
Met dat woord afgoderij massa onder
de
verstaat
Men
met
niet inbeeldt
maar de
gelooft het niet,
kostelijk
willen
„afgod"
we
niet hard zijn.
slechts tweeërlei:
Gemeenlijk toch een beeld van
1.
iets,
men
waaraan
zondige
op
gehecht
wijze
en
ver-
is.
En
natuurlijk, in dien zin bedoelen
we thans „a/god"
niet,
daarom wel „schijn-goA" noemen; mits men maar wel
het
a/goderij
wel vermoedt.
steen of ijzer of hout, dat wordt aangebeden; 2". een dier-
zilver,
kleefd
o,
men
gaat zoo veel verder dan
baar,
niet denkt, dat
uw
Dat ge u
is.
eigen bedeniiing of verbeelding,
goud,
Dat ge
Hem
en dat Hij het niet
is,
te
aanziet.
hebben, en dat ge slechts te doen hebt met een vrucht van
het
Hij
147
I.
en willen
verstaat, dat
het eigenlijk geheel op hetzelfde neerkomt, en dat alle a/god een schijn-
god en
schijngod een a/god
alle
Want
is.
of ik
nu mijn afgod uitbeeld
hout of goud, dan wel uitbeeld in mijn denken, en dus een denkbeel-
uit
God
digen
zaak
aanbid, dit
dat
is,
met den Heilige
bidden, en
met God bezig te
doen
te
te zijn,
Eeuwige
Wezen nog
die er in de wezenlijkheid niet
God God
leeft,
is
er.
Hij,
in zijn almachtigheid
Hem, en
En
God,
die
ik mij
en
helder
vondt en hoe ge naar
goddelijk
zijn
stellen,
voorts
om
wel inbeeld, dat bestaat, maar
de zaak
met
Hem
in
ziel
niet
kent.
recht,
Maar dat
dit eischt Hij
ge
de eeuwige
Hem wezenlijk
in zijn plaats, voor
uwe
wat maaksel ge
weet
Hij,
!
nu maar, dat ge
is
schim van uw gedachten,
ziel rekent.
zijt,
om
niet zuiver rekenschap kunt geven,
Hem
voorbij loop en
is.
anders kunt dan stamelen, er u zeker de niet
te
mij hierin toch
ik
God
de Heere, in de hemelen
aanziet, en wel wezenlijk
Eeuwige
die
!
niet een schijn of
uw God zal
God
de
en ik mij biddend of denkend
zelfs niet ken,
met een schijn-god, dien
bezig houd
tot
hebben, en dat
bedrieg en totaal vergis, want dat ik den levenden
het
Want
den Eeuwige
wezen der zaak hetzelfde.
in het
blijft
inheeUl
ik mij
En nu
en hoe ge nooit
verarmen, zoo ge
van wat ge in
Hem
toch van u, en immers
genoeg belang in
Hem geleerd te van Hem den kus
zijn kennisse
zult
uit de Schriftuur over
willen zijn, en dat ge
den
der trouwe te geven,
nooit
onder
schijn
dien kus der liefde geven zult aan een ander.
En
toch, in die zonde verviel vooral onze eeuw, en daardoor wierd ze
in geheel dit
de
haar ontwikkelingsgang weer Heidensch.
woord stoote zich niemand, en dat
zal
men
Aan
het gebruik van
ook niet doen, zoo
Heidensche wereld eenigszins van naderbij kent.
men
Niet enkel die zeer
laag staande Heidensche wereld van Bataksche koppensnellers of Guineesche
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's