E voto Dordraceno - pagina 229
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXII. HOOFDSTUK V.
gemeenschap onderling oefenen. Maar voorts In
baard.
hoeverre
voorvalt,
de
ons w(V<s duidelijk geopen-
is
kennis dragen van wat op aarde in Gods kerke
ze
ons een geheimnis, en wel een geheimnis, waarvan
voor
blijft
ons zelfs geen waarde zou hebben, omdat
voor
ontsluiering
229
om
het lichaam missen, en dus geen instrument bezitten
zij
toch
eenige werking
op ons te laten uitgaan.
De vraag van
het icederzien ontvangt hierdoor een eigenaardig licht.
die deze vraag stellen, zondigen
Zij,
hemel
den
meest hierdoor, dat ze
aardsch van
te
denken, en zich geen rekenschap geven van het
feit,
hoe er
voor de gezaligden des Heeren aan de overzij van het graf geen andere
gemeenschap
als
zijn
Christus
in
nemen
geslacht, ze
maar
dan
Jezus
niet ten huwelijk,
zijn
Er
kan.
daar boven geen
is
noch worden ten huwelijk genomen,
engelen Gods. Alle aardsche band, die enkel aardsch was
en bleef en niet in Christus geheiligd wierd, valt dus met den dood van
Gods kinderen weg. Al wat
Van een
zijn.
blijft
zijn
de banden, die in Christus gelegd
weerzien van wat niet in Christus verbonden was, valt dus
geen sprake. Wie
Christus
in
sterft,
breekt in zijn sterven
banden, die buiten Christus liggen. Die bestaan voor
En
meer.
beperkt
men nu
hem
met in
alle
aardsche
eeuwigheid niet
de vraag tot die in Christus wel geheiligde banden,
ook dan moet hier nog onderscheid gemaakt. Onderscheid namelijk tusschen
den staat der afgescheiden zielen
tot
aan hun wederopstanding, en den staat
der verheerlijkten na de wederopstanding. Voorzooverre elk weerzien ondersteld de
gemeenschap met de personen
zien geen sprake
Dan
in het lichaam,
komen, alvorens de dooden
uit
kan er dus van weer-
hun graven
zijn
eerst zal er volle weerzien en herkenning plaats grijpen voor ons helder
en klaar besef en voor onze heilige waarneming. zien niet enkel
Maar dan ook een weer-
van de trouwste en beste vrienden
die
we
in Christus op
aarde bezeten hebben, maar eveneens van al Gods kinderen
met wie we op aarde schenstaat
komst
slechts
daarentegen,
des
Heeren,
die
kan,
ook van hen
zwakke gemeenschap oefenden. In den tus-
grijpt een eigenlijk
wederzien niet plaats en kan er
Op wat
wijs
verduidelijkt Jezus ons, door ons te verwijzen naar de engelen
Ook de engelen
Gods.
;
verloopt van ons sterven tot aan de weder-
alleen bestaan een innerlijke zielsgemeenschap der heiligen. dit
opgestaan.
een kind van
God na
zijn onlichaamlijk,
zijn
en in zooverre dus
gelijk
dood in den tusschenstaat, alleen met
aan
dit ver-
dat deze onlichaamlijkheid voor de engelen hun gewoon natuurlijk
schil,
bestaan
vormt
is,
van
terwijl het voor
berooving.
Gods kinderen
tegfennatuurlijk is en een staat
In zooverre echter heldert het leven der engelen
onzen toestand in dien tusschenstaat op, dat we weten, hoe de engelen, ook
zonder lichaam, nochtans gemeenschap met elkander oefenen en tot
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's