E voto Dordraceno - pagina 350
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
352 tweede
de
Doop
om
plaats
Doop
dat
nimmer
die
Geest
En
aanriep.
om
bidden ons
in
wicht gedoopt werd, zelf
genade en zijnen Heiligen Geest schonk,
den Heiligen Geest
kunnen
als klein
Doopsgenade had. Ten derde spreekt het van-
vroeg stervende kinderen verloren zouden
alle zijn
Hem om
om
om
of
V.
opgemerkt, dat ons reeds genade vóór en in onzen
zij
bewezen, en dat niemand, die
is
dien
zelf,
er
XLV. HOOFDSTUK
ZOND.
Catechismus
den
andere
dan dat ze beperkt worde
zijn,
doele op het gemeenschapsleven tusschen
Nemen we nu
God en
aldus ons uitgangspunt, en
om
wat oorzaak,
vraag, waarom, uit
zijn
ons aanvankelijk uitsluitend
verzoend kind.
zijn;
een
dacht
oogenblik
nu
God
heeft
aan
wedergeboorte,
Wat
neer:
geheel
de
zijn
bij
het
oorzaak
De
God
voorziening in allerlei
besproken, en daarop
is
uw
tweeërlei
dit
vaneen scheidt, en voorhands
van
zijn
geestelijke behoeften. Die ver-
volwassen en zelfbewuste kinderen, na hun
dat het gebed hier door
zijn,
God
komen we dus
waarom de
melijk,
ken worden, dit
iets
lijkhei'i
te
ligt, blijft
niet terug.
Elk schepsel
zal,
De
«ajibidding
omdat het
doen op beivuste wijze,
d.
i.
in
is
alleen ei\
gegrond
om
den
het bewuste
dankzegging en
Hier echter geldt het een geheel andere vraag, de vraag na-
lofzegging.
Om
dit
zelf als
ingeschoven.
Schepper bestaat, dien Schepper eere geven,
behoort
uw aan-
al
Dit punt werd in de voorafgaande hoofdstukken
in onze positie als creaturen.
schepsel
al-
nood gelaten worden. Tot hel-
eerebiedinge die er in elk gebed en in elke dankzegging
hierbij natuurlijk rusten.
maar
niet bidden,
gebed gebonden, en de vraag komt dus hierop
mag
onmisbare tusschenschakel
van
stofiFelijken
saamtrekt op de vervulling van
vulling
wille
toch notoir, dat
van inzicht kunt ge hier dus alleen komen, zoo ge
derheid
gebied
als scha-
dan bepalen we
en omgekeerd dat trouwe^ innige, vrome bidders
benarden
dikwijls in zeer
zeer
is
nood vaak ruimschoots verleent aau wie
gebeden vijand
ler
terug op de
wat reden, God het gebed
de geestelijke gaven, en laten den stoffelijken
tot
nood voorshands rusten. Het
tot
ze uitsluitend
komen we dan
kel tusschen onzen zielsnood en zijn vervulling inschoof,
stoffelijken
en dat die
is,
na de wedergeboorte; en dat
gelde
ze
ook niet vergeten, dat een echt gebed
een vrucht van genade
en strekking van deze betuiging van den
Zin
geen
dus
dat
God
aan hem die
Heiligen Geest, reeds een genadegift van dien
onderstelt.
kan
volwassenen;
mag
eindelijk
zelf reeds
indien
zijn,
tenzij
genadegifte des Heiligen Geestes ons niet kan geschoner
tenzij
nu
in
te
gebed voor
zien
in
moet ge
dat eens buiten ons was, er
voor,
of
gelijk
men
ons hart en onze lippen
zij.
er op letten, hoe bij alle in zich
opnemen
o,
zooveel afhangt van onze ontvanke-
het
met een vreemd woord noemt, van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's