E voto Dordraceno - pagina 537
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND.
XXVI. HOOFDSTUK
VI,
537
we
dringen, dient eerst eenigszins breeder uiteengezet en ontleed, wat
te
onder genadeicerMng
hebben
Genadeverbond voorkomt,
maar moet opgevat
men „genade" van
genade
in
ook
is
va.n
bannharfigheid en ontferming. Neemt
den algemeenen zin van
,
goedgunstigheid," dan kan er
kan er
paradijs voor den val sprake zijn; dan
het
in
gelijk ze in het
niet eenvoudig liefde of toegenegen gezindheid,
den zin
in
„Genade,"
verstaan.
te
genade bewezen worden aan de goede engelen, die hun beginsel bewaard hebben;
gaat de genade ook in den hemel door, als eens de laatste
en
heugenis der zonde in Gods kinderen zal ze
hier
niet
In den Doop
voor.
zijn
uitgesleten.
Maar
zoo
komt
sprake van een genade die bewezen
is
In den wijdsten omvang nu beteekent „genade
wordt aan den zondaar.
aan den zondaar," dat de zondaar, die niets dan toorn en verbolgenheid
van
God kon verwachten,
zijn
Goddelijk
mededoogen
„zondaar"
geldt,
genade
die
om
verwerft,
maar
die gunste zijns
In dezen zin nu wordt en
Er
ondervindt.
„genade," waar ze den
in
ligt
dus altoos deze diepste grondgedachte, dat de persoon,
ontvangt, niet alleen niets deed en niets heeft waardoor
Gods gunst strekt,
van afstootenden toorn, aantrekkend
in stede
hij
ook, en evenzeer, dat heel zijn bestaan er toe
Gods af
te
stooten.
woord „genade" op tweeërlei
dit
wijs gebruikt,
wel óf ter aanduiding van die goedgunstige, barmhartige gezindheid,
God
die in
van
onswaarts
te
die gezindheid ons
is,
óf wel
om
uit
drukken, hetgeen als vrucht
te
van Gods wege geschonken wordt. Het
God, zoo Hij ons niet wil doen naar onze zonden, en
in
genade,
zoo
de
Heilige
ons
wij
genade
is
ontvangen
zonden vergeeft, en vrede in de
onze
ziel
uitstort.
Neemt men nu genade wat
onze redding in
tot
God gevonden
barmhartigheid, den raad zijns
en
eindelijk
de
dan
in eerstgemelden zin,
heils,
sluit ze in zich alles
wordt, en dus zijn ontferming en
met
alle
daarin verordende middelen,
heilige drijving in het Goddelijk
Wezen, om dezen
zijn
raad te verwezenlijken.
Vat men daarentegen „genade" er
onder
voor
en
ons
in
gewerkt
besloten, wat onder
gewrocht
genade
al
te
is
zijn
wordt,
menschen
heeft,
dan
of voor
d e ure
en na
profetie betuigd, en in zijn in
den tweeden zin op, en verstaat
God
is,
maar
gelijk ze
ligt natuurlijk
menschen
of in
in
dit
hem
van den val af
tot
men
door
Hem
woord
alles
menschen door God
hunner verlossing en verheerlijkmg. Dan behoort
wat God van
Adam gedaan en
in
de genade, niet gelijk ze in
tot
Adam gesproken
de
en in
in heel ons geslacht gewrocht, en in de
wonderen beteekend, en
in Christus
geschonken
kerk onderhouden, en in de zielen ingebracht heeft,
uitverkoren zondaren tot de heerlijkheid te leiden.
om
zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's