E voto Dordraceno - pagina 407
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLV. HOOFDSTUK
ZOND.
zonde
voadig
ware
is,
lichaam in algemeenen
om
beleedigend
bijna
409
XII.
komen we daarom op de
zin,
Van
op te merken.
het
stem. Zult ge zacht,
Dat
zult ge overluid bidden, en indien overluid, in welken toon?
een
bij
gemeenschappelijk gebed overluid moet gebeden, behoeft geen nadere aanwijzing
de vraag betreft hier dus alleen het gebed van den enkelen per-
;
En dan
soon.
zijn
hebben aangewend, om
die zich
er,
als ze
en hun binnenkamer gesloten hebben, toch altoos overluid anderen,
er
zijn
aan het
die
dat
toe,
bidde,
hij
hem
gelijk het
men
met
kinderen
en
dat overluid te laten nazeggen.
ze
vanzelf,
Hierbij
nu
een ieder
zie
God
het meest nabij zijn
kleine
begint
bidden, en
gebed de voorkeur geven.
stil
niemand zichzelven ten voorbeeld aan anderen, maar
stelle
alleen zijn,
te
brengt. Bij
ze een gebedje voor te zeggen,
En
ook
het regel, dat een op-
is
groeiend kind ook wanneer het meer vanzelf gaat bidden voorshands nog
bidden met luider stem. Toch passé
blijft
Ook een kind
blijven.
te
bij
men
op,
voelt verleiding
van hier niet
uw
dat
het
zoo
o,
lief
bidden kan, dan
kind radicaal bederft. Ook op lateren ge
dat
regel,
uw eenzaamheid
in
zijt
lang
van het mooi bidden; en
uw
vooral zoo ge dan naderhand aan anderen vertelt, en aan laat,
te
kind merken
het die het gebed van
gij
gelde deswege als vaste
leeftijd
nooit overluid bidt, als ge ook
maar
even vermoeden kunt, dat anderen u beluisteren. Door anderen beluisterd
hardop een
Er
maken.
kunnen
elkaar
zoodat anderen het hooren,
andere gevallen, dat
bij
bij
past.
Of men nu,
luisteren kan,
zullen
bezielder
aanleg
hen eenvoudig
stil
of
als
om
dan
zal
meest
hardop
zacht
meest
ten
half
slotte
zuchten en kermen voor
Wat den
zal bidden,
te willen bidden,
Doch
niet opkomt.
in alle
zijn
dat
waar een
Wee u is,
en geen
en nie-
hangt af van iemands tem-
Stille
en in zichzelf getrokken
bidden; personen van vuriger karakter en overluid;
en
zijn er
ziel
meer prikkelende om-
in beweging en ontroering
een ieder luid gaan roepen, en smeeken en
God.
toon van onze stem
meen opgemerkt,
mooi
de binnenkamer wel gesloten
standigheden, zoodat het gebed geheel de brengt,
niet voor
het hardop bidden van een eenzamen bidder, die weet
perament, zielstoestanden en omstandigheid. personen
hier
dan ook personen, wier gebed nog
beluisterd wordt, een Farizeesch vertoon,
hij
Amen mand
is
zijn
de verleiding
dat
staat,
we
personen, die als ze zacht bidden
kunnen houden en hun woorden
maar dat
krijgen;
trap
Slechts ééne uitzondering willen
eenvoudige
niet bij elkaar
lagen
zoo
namelijk
zijn
hun gedachten
op
waar het den schijn van eenzaam bidden aanneemt,
te bidden, is
uitvinding van den duivel.
bij
bidden aangaat, zoo
die toon verschillen
zij
in het alge-
moet naar de onderscheidene
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's