E voto Dordraceno - pagina 62
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
64
ZOND.
XXXIX. HOOFDSTUK
IV.
en elke macht die niet in Gods souvereiniteit gegrond
mist elk gezag.
is,
God de Heere
Dit gezag van mensch o?er mensch heeft
zagen, in twee dingen gefundeerd, én in het lichaam én in de
uw
„Eer
uw moeder"
vader en
gehoorte uit hen, zoodat
Het
ziel.
lichaam gefundeerd door onze
in ons
is
we
nu, gelijk
we vleesch van hun vleesch
zijn;
en gefundeerd
in de ziel door zijn gebod. Dit laatste wil niet zeggen, dat pas op Sinaï deze
ontstond;
ordinantie
want ook hier
geldt, dat op
dat niet oorspronkelijk, potentieel, den ingeprent. Zoo ziet ge dan ook, hoe
van Sinaï hoorden, toch
Nu
dit
mensch
bij tal
als
genade,
En
van Heidensche volken, die nooit
Gods algemeene
machtig na, dat het over heel de wereld de saambindende
zóó
is,
zij
is
het ook in veelszins vervalschten vorm.
nu de saambinding van het huisgezin door de geboorte
gelijk
lichaam, en door het gebod in de
ziel, ligt
ziel beide.
In het lichaam
de opkomst van elk volk uit stamverwantschap, en in de
het: „Alle ziele
de
Wel
noch
liefde,
wordt
toch
maar de
macht
alle
zij
die over
haar gesteld
de zedelijke macht, waardoor de band
wijl eindelijk
ook
het dankbaar gevoel,
band door dank en
deze
eigenlijke natuur
in het
verzekerd, evenzoo ligt de saam-
binding van een volk gefundeerd in lichaam en door
is,
was
in zijn ziel
gebod van het eeren der ouders een macht wierd.
nog, na den zondeval, werkt dit natuurlijk besef, door
macht der samenleving
is
Sinaï niets betuigd
Gods beeld
van dezen band
is
zijn
ziel
door
onderdanig." Ter-
klem
oefent, niet
maar de gehoorzaamheid. gesterkt en geheihgd;
liefde
mag
nooit ter wille van het
teeder gevoel vervalscht worden, en daarom moet de eisch blijven gelden dat
de
tucht
gehoorzaamheid beide én het huisgezin en het leven
der
der volkeren saambinde.
Dit
dus ook van de Overheden
geldt
van een volk
zij,
den
den
toch
Zwijger
mag
waaraan het mocht stamvader
van
te
;
want hoe groot ook het geluk
beurt vallen,
om
in een
Willem
zijn koninklijke dynastie te begroeten,
nooit gezegd, dat onze toewijding aan de zaak van ons vader-
land rust in de
liefde,
die
we aan het Huis van Oranje toedragen, noch
ook in de traditie van de groote Oranjes, die de 16e en 17e eeuw heeft
aanschouwd. Die innige verkleefdheid aan onze Oranjedynastie heerlijk
iets,
wel toe; maar toch
we onzen koning worpenheid
is
wel een
dat er bijkomt, en die glorieuse herinneringen spreken ons is
dat nooit de grond, en
of onze koningin
hebben
mag
aan de macht die over ons regeert,
heilig gebod, en
het niet
te eeren. is
en
zijn,
waarom
Grond van onderblijft
altoos
Gods
ook wat tegenover koning of koningin van ons gevraagd
maar gehoorzaamheid. In
dit
opzicht staat dit gebod tegenover ouders of overheden volkomen gelijk.
De
wordt,
is
niet
in
de eerste plaats liefde,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's